Foto-opslag
Digitale camera’s slaan hun beelden op in hun interne geheugen of op verwisselbare geheugenkaartjes. De huidige camera’s
kunnen met één of meer soorten geheugenkaartjes overweg. De populairste van dit moment zijn SD Card en Compact Flash.
Er zijn bovendien fabrikanten die een eigen systeem hanteren, zoals Sony met zijn eigen (dure) Memorystick.
Het geheugenkaartje dat u met de camera meegeleverd krijgt, biedt vaak niet meer dan 8 of 16 MB opslagruimte.
Dat is lang niet genoeg als u veel in de allerhoogste resolutie fotografeert. Het is daarom handig er meteen een exemplaar
met meer capaciteit bij te kopen.

A/D-Converter
Analoog-digitaalomzetter, ook analoog-digitaalomvormer genoemd. In het algemeen een apparaat dat een analoog signaal omzet
in een digitaal signaal. Een A/D-converter in een digitale camera zet de dooor de lichtgevoelige chip geregistreerde
informatie om in digitale informatie, die in een geheugen kan worden opgeslagen.

AA
Veelgebruikte afkorting waarmee de gewone penlite-batterij bedoeld wordt.

AAA
Het kleinere zusje van de penlite, ook wel mini-penlite genoemd, wordt meestal gebruikt voor afstandsbedieningen, maar ook voor sommige camera’s.

AC
In plaats van batterijen is het ook mogelijk met een adapter de camera aan te sluiten op het lichtnet. Hiermee bespaart u veel batterijkosten, maar het betekent soms wel dat u de optionele adapter nog moet kopen.

Adapter
In plaats van batterijen is het ook mogelijk met een adapter de camera aan te sluiten op het lichtnet. Hiermee bespaart u veel batterijkosten, maar het betekent soms wel dat u de optionele adapter nog moet kopen.

AE
Auto Exposure, een systeem voor het automatisch instellen van belichting en afstand.

AF
Auto Focus, een systeem dat ervoor zorgt dat de camera automatisch scherp stelt.

Afdrukvertraging
De tijd tussen het drukken op de knop en het werkelijk maken van de foto.

Artefact
In de archeologie is een artefact (van het Latijnse "arte factum" = door handwerk gemaakt) een voorwerp dat niet uit de natuur afkomstig is, maar door de mens is gemaakt.
Artefacten in digitale beelden zijn ongewenste pixels of patronen. Zij ontstaan als gevolg van een compressie-algoritme of door elektronische interfentie. Het JPEG bestandsformaat is erg gevoelig voor artefacten omdat het compressiealgoritme van dit opslagformaat informatie verliest naarmate zwaarder gecomprimeerd wordt.

AVI
Filmclip in het Windows AVI-formaat.

AWB
Automatic White Balance, een systeem voor het automatisch instellen van de witbalans in digitale camera’s.

B-en-W
Afkorting voor black and white (zwart-wit).

Backlight
De verlichting achter een LCD-scherm, ook gebruikt om het begrip “tegenlicht” aan te duiden.

Banding
Een resultaat van kleurgradatie in digitale fotografie doordat de beschikbare kleuren beperkt zijn en de verloopkleuren daardoor vervallen in zichtbare kleurstroken.

Batterijleven
Belangrijk is de vraag hoe lang u kunt fotograferen op een volle batterij. De monitor die ook dienst doet als zoeker, verbruikt veel stroom. Veel modellen hebben ook een ‘ouderwetse’ optische zoeker. De monitor kan dan worden uitgeschakeld. Maar soms bestaat die optische zoeker uit een klein LCD-schermpje dat ook stroom verbruikt. Dan is het handig om een extra batterij te kopen. Bekijk van tevoren welk type uw camera nodig heeft en of hij ook met oplaadbare batterijen overweg kan. Vraag in de winkel wat u bij de camera geleverd krijgt. Zit er een geheugenkaart bij (hoe groot?), een tas, een polsriempje? Welke software – voor onder meer communicatie met de pc – zit erbij?

Beeldsensor
Dit is een chip die uit miljoenen lichtgevoelige elementen bestaat die het invallende licht registreren. Er zijn twee soorten beeldchips: de CCD en de CMOS.
Beeldstabilisator, optisch
Een optische beeldstabilisator zorgt ervoor dat u ook bij langere sluitertijden geen “bewogen” opnames krijgt.

Bestandsformaat
Een manier om gegevens in een digitaal bestand op te slaan.
Veel programma's gebruiken een eigen bestandsformaat zoals bijv Microsoft Word. Grafische bestandsformaten zijn veelal gestandaardiseerd. De meeste grafische programmatuur kan bestanden opslaan in: BMP-TIF-GIF en JPG formaat. De letters achter een bestandsnaam duiden meestal het bestandsformaat aan.

Bit
Samentrekking van het Engelse Binary Digit oftewel binair cijfer. Een bit is de kleinste waarde van het binaire stelsel waarmee processors werken. Een bit kan slechts de waarde nul (0) of een (1) hebben.
Binary digIT Het kleinste stukje digitale informatie met slechts twee mogelijkheden, 1 of 0.

Bits(8)afbeelding
Afbeelding waarbij 8 bits gebruikt worden voor de kleuren. Dit levert een combinatie op van 256 kleur- en of grijstinten.

Bits(16)afbeelding
Afbeelding waarbij 16 bits gebruikt worden voor kleuren, resulterend in 32 duizend kleuren.

Bits(24)afbeelding
Afbeelding waarbij 24 bits (8 per kleurkanaal) gebruikt worden voor kleuren, resulterend in 16,7 miljoen kleuren.

Bitdiepte
Verwijzing naar de kleur- of grijswaarde van een enkele pixel. Een pixel van 8 bit per kleur maakt deel uit van een 24-bitafbeelding (8 bits x 3 kleuren is 24 bits). 24-bit-kleurresolutie is 16,7 miljoen kleuren.

Bitdiepte
Het aantal bits dat per pixel wordt gebruikt om informatie op te slaan. Een bitdiepte van 1 betekent alleen zwart en wit. Voor het opslaan van grijswaarden zijn 8 bits soms voldoende, terwijl een kleurenfoto met 16,7 miljoen mogelijke kleuren een bitdiepte van 24 heeft.

Bitmap
De methode voor het bit voor bit opslaan van informatie. Er zijn veel bitmapformaten: bmp, pcx, .pict, .jpg, .tif, .gif, enzovoort. De meeste beeldbestandsformaten zijn bitmaps.

Bitmap
Een verzameling beeldpunten of pixels in een vierkant of rechthoekig formaat wordt een bitmap genoemd. Het betreft een afbeelding, al dan niet in kleur,die kan worden opgeslagen in een bestandsformaat als BMP,TIFF of JPG.
Een bitmap met een afmeting van 800 bij 600 beeldpunten wordt op een monitor met een resolutie van 800x600 beeldvullend weergegeven.

BMP
De methode voor het bit voor bit opslaan van informatie. Er zijn veel bitmapformaten: bmp, pcx, .pict, .jpg, .tif, .gif, enzovoort. De meeste beeldbestandsformaten zijn bitmaps.

Brandpuntafstand
De brandpuntafstand duidt de afstand van het hoofdbrandpunt tot het midden van de lens aan.Bij lenzen stelsels is dit het bijbehorende hoofdvlak. De brandpuntafstand wordt gemeten in millimeters. Om een beeld natuurgetrouw weer te geven wordt bij een kleinbeeldcamera een brandpuntafstand van 50mm gebruikt. Een kleinere waarde duidt een groothoeklens aan, een grotere waarde een telelens. Zoomlenzen beschikken over een variabele brandpuntafstand, zoals 28-72mm. Aangezien digitale camera's over een kleiner beeldoppervlak beschikken, is een zoomlens met dezelfde brandpuntafstand hier mogelijk 6-15mm.

Brightness
Engels voor “helderheid”. De waarde van een pixel in een digitale afbeelding, die de helderheidswaarde weergeeft op een schaal van wit naar zwart. Deze waarden lopen van 0 (zwart) naar 255 (wit).

BSS
Best shot selector, als u deze functie inschakelt, maakt de camera snel maximaal 10 foto’s achter elkaar en kiest daar de beste uit.

Buffer
Een tijdelijke opslagplaats van gegevens in het RAM-geheugen, in afwachting van verwerking of opslag.

Byte
Een geheugeneenheid: een segment van 8 bits vormt een byte.
Een byte is gelijk aan acht bits. De door microprocessors gebruikte rekenmethode laat toe dat in een byte maximaal 256 waarden kunnen worden opgeslagen. Computergeheugen wordt meestal aangeduid in bytes, of een veelvoud daarvan een kilobyte (kb) is 1024 bytes, een megabyte (mb) is 1024 x 1024 (=1.048.576)bytes.

CompactFlash
CompactFlash is een klein, verwisselbaar opslagmedium voor digitale informatie. CompactFlash geheugenkaarten zijn geïntroduceerd in 1994 en bestaan in een type I en een type II variant. Het grootste verschil is de dikte: CF (CompactFlash) Type I is 3,3 mm dik en CF II is 5 mm dik. CompactFlash kaarten bevatten geen bewegende delen. Door de gebruikte geheugentechnologie is geen elektrische spanning nodig om de informatie te behouden.

Compressie
In het algemeen: samendrukking. Door het toepassen van compressie kan informatie worden gecodeerd, zodat meer gegevens worden opgeslagen dan het gebruikte medium anders zou toelaten. De compressie van digitale beelden zorgt voor een efficient gebruik van geheugendragers, zoals geheugenkaarten en harde schijven. Compressiemethoden met verlies, zoals JPEG, verwijderen beeldinformatie en kunnen leiden tot een minder goede afbeelding.

Contrast
Het verschil tussen de lichtste en donkerste delen van een beeld.

CMYK
Cyaan, Magenta, Yellow & Black. Cyaan, magenta, geel en zwart zijn de standaardkleuren die gebruikt worden bij het drukken van een kleurenafbeelding.

CCD
Charge-Coupled Device. De CCD gebruikt lichtgevoelig materiaal op een siliconenchip om licht te detecteren. De chip bevat tevens de benodigde elektronica om deze beeldinformatie door te sturen. Hoewel minder gedetailleerd dan filmmateriaal is een CCD tot honderd maal gevoeliger en kan hij een groter bereik (ook buiten het gewoon zichtbare) weergeven.
Charged Coupled Device, een lichtgevoelige sensor die de energie van licht omzet in elektrische signalen, die na bewerking leiden tot een digitaal beeld. CCD's worden gerangschikt in een matrix en vormen zo een complete CCD-chip. Deze worden onder meer toegepast in video en digitale camera's.

Cd
CompactDisc (“alleen lezen”-) medium dat 650 tot 800 Mb aan digitale gegevens kan bevatten.

Cd-r
CompactDisc Recordable, een cd waarop eenmalig informatie weggeschreven kan worden.

Cd-rw
CompactDisc ReWriteable, vorm van cd-r maar opnieuw te beschrijven.
CF Een veelvoorkomende manier van geheugenopslag voor een digitale camera. Het is vervangbaar, klein en beschikbaar in diverse formaten: 4, 8, 16, 32, 64, 128, 192, 256, 512, 1024, 4096 Mb en 1 en 4 Gb.

CF-Type-I
Het oorspronkelijke 5mm dikke Compact Flash-kaartformaat

CF-Type-II
Compact Flash-kaarten en –apparaten van 9 mm dik. Type-I-apparaten zijn alle “solid state”. Dit type geheugen is een stuk minder gevoelig voor storingen in vergelijking met de IBM Microdrive en nog een stuk goedkoper ook. Tot Type-II-apparaten behoren ook apparaten als de IBM-Microdrive, een miniatuurharddisk.

CIE-lab
Kleurruimte vastgesteld door de Commission International d’Éclairange (CIE) in 1931.

CIFF
Camera Image File Format, een methode van beeldopslag in digitale camera’s, gebruikt door een aantal camerafabrikanten.

CMOS
Complementary Metal Oxide Semiconductor. Dit is een afbeeldingsopnamesysteem gebruikt in digitale camera’s. Minder populair dan CCD.

CMS
Color Management System, softwareprogramma (of een hardware- en softwarecombinatie) ontworpen voor overeenkomstig kleurgebruik en weergave tussen opname, weergave, verwerking en afdruk.

CMYK
Cyan, Magenta, Yellow, Black, de inktkleuren die de meeste printers gebruiken voor het maken van kleurenafbeeldingen.

COM-poort
Communicatieaansluiting op de computer volgens de RS-232-standaard.

Compact-flash
Een veelvoorkomende manier van geheugenopslag voor een digitale camera. Het is vervangbaar, klein en beschikbaar in diverse formaten: 4, 8, 16, 32, 64, 128, 192, 256, 512, 1024, 4096 Mb en 1 en 4 Gb.

Composiet
Gecombineerd RGB-beeld.

Compressie
Een ongecomprimeerde digitale afbeelding neemt veel ruimte in beslag; een lage-resolutieafbeelding van 640x480 pixels en 24-bits kleurweergave kan makkelijk een megabyte ruimte in beslag nemen. Door toepassing van compressie (zoals JPEG) wordt deze beeldinformatie samengepakt en opgeslagen in minder ruimte.

Contrast
Een maateenheid voor het aangeven van verschillende helderheden in een afbeelding.

CRW
Onbewerkt bestandsformaat gebruikt door digitale camera’s van Canon.

Dioptrie
Eenheid voor het meten van de kracht van een lens. Dioptrieverstelling of -aanpassing op camera's betekent dat de optische zoeker kan worden ingesteld op een andere dan de standaardwaarde. Hierdoor kan een bijziend of verziend persoon de zoeker gemakkelijker gebruiken. Een lens van 2 dioptrie heeft een brandpuntsafstand van 1/2 x 1 meter = 0,5 meter.

Downloaden
Het ophalen van gegevens vanaf een ander computersysteem. U kunt bijvoorbeeld foto's downloaden van Internet.

DPI
Dots Per Inch. Aanduiding van de resolutie van een digitaal beeld en een beeldapparaat, zoals een monitor. Aangezien monitoren werken met een resolutie van 72 DPI, is een beeld met een resolutie van 72 DPI voldoende voor gebruik op bijvoorbeeld Internet. Printers en drukpersen werken met veel hogere resoluties, vanaf 300 DPI.

DPOF
Digital Print Order Format. Een door Canon, Kodak, Fuji en Matsushita in 1998 ontwikkelde functie die het mogelijk maakt dat direct vanuit de camera geprint kan worden. Afbeeldingen op een geheugendrager, zoals een CompactFlash kaart, kunnen zonder tussenkomst van de digitale camera worden afgedrukt wanneer de fotoprinter beschikt over een kaartslot. Bij bekijken van opnamen in een DPOF-ondersteunende camera kunt u de af te drukken foto's, het aantal afdrukken en een aantal andere zaken opgeven.

DC
Direct Current, stroom van bijvoorbeeld een 9 volt DC-batterij.

Digitale-zoom
Bij digitaal zoomen wordt slecht een klein stukje uit het oorspronkelijke beeld genomen en dat wordt vergroot. De pixels ertussenin worden er automatisch bij gemaakt door de software.

Digitaal
afkomstig van het Latijnse woord digit, dat vinger betekent is het werken met waarden in discrete stappen. Dit is in tegenstelling tot analoog: het werken met waarden in een continuüm zonder stappen.
Zowel digitale als analoge technieken kunnen worden gebruikt voor de opslag en overdracht van informatie, de werking van een instrument, of de manier waarop een waarde wordt weergegeven.
Het woord digitaal wordt veel gebruikt waar met computers wordt gewerkt. Ruis bij signaaloverdracht. Wanneer gegevens worden overgedragen wordt het signaal door de overdracht een klein beetje veranderd. Dit verschijnsel noemt men ruis, en kan veel verschillende oorzaken hebben. Als de gegevensoverdracht analoog verloopt, worden de gegevens dus een klein beetje anders ontvangen dan ze werden verstuurd. Dit geldt niet voor digitale signalen: Omdat er in stappen wordt gewerkt, en de ruis (hopelijk) kleiner is dan de stapgrootte, kan men aan de ontvangende kant precies reconstrueren wat er is verzonden. Digitale foutcorrectie maakt het zelfs mogelijk om te ontdekken en te corrigeren wanneer een stuk digitale informatie toch niet is aangekomen zoals het is verstuurd.
Aflezing van waarden. Waarden die door een instrument worden weergegeven kunnen digitaal zowel als analoog worden getoond. Voorbeelden zijn een klok, een weegschaal in de keuken en een snelheidsmeter in een auto. In geval van een analoge uitlezing wordt vaak van een wijzer gebruikgemaakt die op een schaalverdeling waarden aanwijst (zoals een traditionele klok). Een digitale uitlezing bestaat uit vaak uit een reeks cijfers (zoals een digitaal polshorloge), of eenvoudigweg uit een reeks lampjes waar een gedeelte van oplicht (bijvoorbeeld een VU-meter in een geluidsinstallatie). Het voordeel van een analoge uitlezing is dat het mogelijk is om in een oogopslag een waarde af te lezen, zelfs als het oog niet direct op het instrument gericht is. Het voordeel van de digitale uitlezing is dat de uitlezing zeer precies kan zijn en voor nauwkeurig aflezen geen training nodig is. Als beide eigenschappen noodzakelijk zijn wordt vaak van een gecombineerde weergave gebruik gemaakt. Wanneer een analoog signaal in een digitaal signaal moet worden omgezet, moet een keuze worden gemaakt voor het aantal stappen dat wordt gebruikt voor deze conversie. Vaak wordt de keuze begrensd door technische mogelijkheden. In andere gevallen is er misschien meer informatie, maar is het niet zinvol om ze vast te leggen. Kijken we bijvoorbeeld naar de CCD chip in een digitale fotocamera, dan begrenst de techniek het aantal grijstinten dat kan worden onderscheiden tot 256 niveaus. En het aantal beeldpunten is begrensd tot enkele miljoenen. Als men later een extreme vergroting wil maken is het aantal beeldpunten een beperking, maar in de digitalisatie is de informatie tussen de beeldpunten verloren gegaan. Natuurlijk moet dit verlies gerelativeerd worden: ook een analoge film heeft, met zijn korrel een beperkte resolutie. In een Compact disc wordt muziek opgeslagen als een serie van geluidsmonsters op een lineaire schaal van 65536 stappen (16 bits). Dit beperkt de dynamiek van het signaal (het sterkste signaal dat op een CD kan worden gezet relatief ten opzichte van het zwakst-mogelijke signaal) tot een factor 65536. Dit kan voor extreme situaties een probleem opleveren. Maar ook hier moet het verlies aan informatie worden gerelativeerd: de dynamiek van een analoge grammofoonplaat of compact cassette is veel kleiner.

Digitalisatie
Wanneer een analoog signaal in een digitaal signaal moet worden omgezet, moet een keuze worden gemaakt voor het aantal stappen dat wordt gebruikt voor deze conversie. Vaak wordt de keuze begrensd door technische mogelijkheden. In andere gevallen is er misschien meer informatie, maar is het niet zinvol om ze vast te leggen. Kijken we bijvoorbeeld naar de CCD chip in een digitale fotocamera, dan begrenst de techniek het aantal grijstinten dat kan worden onderscheiden tot 256 niveaus. En het aantal beeldpunten is begrensd tot enkele miljoenen. Als men later een extreme vergroting wil maken is het aantal beeldpunten een beperking, maar in de digitalisatie is de informatie tussen de beeldpunten verloren gegaan. Natuurlijk moet dit verlies gerelativeerd worden: ook een analoge film heeft, met zijn korrel een beperkte resolutie. In een Compact disc wordt muziek opgeslagen als een serie van geluidsmonsters op een lineaire schaal van 65536 stappen (16 bits). Dit beperkt de dynamiek van het signaal (het sterkste signaal dat op een CD kan worden gezet relatief ten opzichte van het zwakst-mogelijke signaal) tot een factor 65536. Dit kan voor extreme situaties een probleem opleveren. Maar ook hier moet het verlies aan informatie worden gerelativeerd: de dynamiek van een analoge grammofoonplaat of compact cassette is veel kleiner.

Digitaliseren
Het omzetten van analoge informatie naar digitale informatie voor verwerking en opslag in een computer.

Dot
Eén afdrukpunt op de printer.

Downloaden
Ophalen van gegevens vanaf een andere computer.

DPI
Dots Per Inch. Een inch is 2,54 cm.

EXIF
Exchangable Image Format. Dit is een formaat waarbij naast de afbeelding ook informatie wordt opgeslagen (cameratype, datum, diafragma, sluitertijd en zoomfactor). Veel beeldbewerkingsoftware bevat een functie om deze EXIF-informatie te tonen.
EXchangeable Image File. Dit bestandsformaat is ontwikkeld door de Japan Electronic Industry Development Association en dient voor de opslag van extra informatie in een grafisch bestand. EXIF-informatie bestaat vooral uit camera- en opnamegegevens (zoals de sluitertijd en het diafragma ten tijde van de opname). De informatie wordt opgeslagen in de 'header' van een JPEG-afbeelding en is met behulp van speciale software leesbaar te maken.

Filter
Een filter is in algemene zin een inrichting die bepaalde componenten uit een spectrum tegenhoudt. In de zwart-wit fotografie wordt bijvoorbeeld een uit glas of kunststof gemaakt geelfilter of roodfilter gebruikt voor het onderdrukken van hemelsblauw. Elektronische filters beinvloeden een beeld door er berekeningen op los te laten.

FireWire
Een interface voor het bijzonder snel overdragen van gegevens tussen personal computers en randapparatuur. Ook bekend onder de aanduiding IEE 1394 en iLink. Wordt vooral gebruikt voor het overbrengen van beelden van een digitale camera naar een computer.
Ook bekend als iLink en IEEE-1394. Een hogesnelheidsverbinding voor het uitwisselen van gegevens (digitale camera/video naar computer en omgekeerd).
Flash Memory
Geheugenopslag voor digitale foto’s.

Flashpix
Bestandsformaat voor foto’s (.fpx).

Flatbed-scanner
Apparaat voor het digitaliseren van foto’s.

Floppy-Disk-Adapter
Een apparaat dat lijkt op een 3,5-inch diskette en gebruikt wordt om geheugenmodules met een gewone floppydiskdrive uit te kunnen lezen.

GIF
Graphics Interleave Format. Dit is een bestandsformaat
Grafic Interchange Format. Een bestandsformaat voor de opslag van afbeeldingen dat door CompuServe is ontwikkeld. Aangezien het formaat gebaseerd is op een 8-bits beeld, kunnen niet meer dan 256 kleuren worden weergegeven. GIF is daardoor beter geschikt voor eenvoudige afbeeldingen op Internet dan voor digitale foto's.

Gigabyte
1024 megabyte.

Histogram
Een histogram is een staafdiagram waarmee wordt aangegeven hoeveel pixels van elke licht- of toonwaarde in een opname aanwezig zijn. Op de x-as worden de toonwaarden in 256 stappen weergegeven, op de y-as het aantal pixels met een bepaalde toonwaarde. Met een dergelijke grafiek kunt u snel zien of de lichtverdeling in de opname in orde is. Bepaalde digitale camera's beschikken over een ingebouwde histogram, dat via een display bekeken kan worden voordat de opname wordt opgemaakt.

  • Histogram
    Een goede belichting is heel belangrijk als basis voor een goede foto. De belichtingsautomaat helpt ons bij het instellen van sluitertijd en diafragma. Of we die instelling ook willen gebruiken is een tweede, de meeste creatieve fotografen niet. Wanneer de sluiter opgaat en het licht via het ingestelde diafragma naar binnen stoomt worden de pixel emmers van de CCD elektrisch geladen door licht. De hoeveelheid licht is een analoge waarde in de emmer. En wordt door een Analoog naar Digitaal omzetter naar een digitale waarden omgezet. Er is gekozen voor 256 helderheids niveaus 28. Dit zijn 8bits.
    Als de sluiter dicht is worden de digitale waarden naar het geheugen van de camera geschreven. Het beeld is zichtbaar op de achterwand. Meestal kunnen we hier ook een histogram bij opvragen. Wat zegt dit en wat kun je er mee. Een histogram geeft van een beeld in een grafiek weer het aantal pixels per helderheidswaarde. Op de verticale as staan de aantallen en de horizontale as vermeldt de helderheidswaarden van 0 aan de linker kant voor volledig zwart tot 255 aan de rechter kant voor volledig wit.
  • Histogram indeling
    De figuur geeft een bijna ideaal histogram weer: een nagenoeg gelijkmatige verdeling van de pixels over de helderheidwaarden. Toch vallen twee dingen op, die het belang van een histogram duidelijk maken. Zowel aan de linkerkant als aan de rechterkant, zien we een piek. Er zijn dus nogal wat pixels aan de linkerkant die een waarde van 0 of minder hebben en aan de rechterkant zien we veel pixels, die een waarde van 255 of meer hebben. Dit komt voort uit de beperking van digitale beelden in vergelijking met de capaciteiten van het menselijk oog. Wij hebben er geen moeite mee om een dynamisch bereik van ongeveer 10 stops waar te nemen. De gemiddelde digitale SLR camera komt niet verder dan ongeveer 5 stops. Buiten dit bereik kunnen er dus helderheidwaarden zijn die niet afzonderlijk worden geregistreerd; ze worden op één hoop gegooid bij de pixels met waarde 0 of bij de pixels met waarde 255. De invoer van pixels is dan ruimer dan de uitvoer. Dit verschijnsel heet “clippen” dat veelal een gevolg is van een erg hoog contrast zoals bij een tegenlichtopname. Het clippen heeft het “blooming effect” tot gevolg. Het histogram laat zien hoe vaak lichte en donkere tinten in een afbeelding voorkomen en je kunt dus beoordelen hoe goed de belichting is. Wat zie je op een histogram? Dat is het eenvoudigst aan te geven bij een zwart-wit foto. In het histogram staat horizontaal links het donkerste zwart met de waarde 0 en rechts het helderste wit met de waarde 255. Daartussen liggen alle grijswaarden. Verticaal staat het aantal pixels met een bepaalde grijswaarde. Je hebt daarmee een indruk van de verdeling van de grijswaardes. In de meeste foto´s is er een min of meer gelijkmatige verdeling in het histogram en zijn bovendien de meeste helderheden aanwezig. Men spreekt dan van goede belichting en dekking. Daar zijn uitzonderingen op, kijk maar naar de volgende . Het histogram van deze foto´s is duidelijk anders. Het histogram vertelt ons een heleboel over de afbeelding, maar eigenlijk zijn dat zaken die veelal ook gewoon kunnen zien.
  • Histogram donker en licht
    In bovenstaand histogram is de bovenste foto donker dus liggen de meeste pixels aan de linkerkant (zwart kant). Daaronder het tegenovergestelde daar liggen de meeste pixels rechts (wit kant). Het histogram helpt ons bij twijfel is een foto dicht gelopen in het donkere gebied of is de foto overbelicht dit zijn de dingen die we in één oogopslag kunnen zien in het histogram.
  • Histogram onder juist over
    De linker foto is echt te donker de meeste pixels zitten aan de (zwart kant) links en er is sprake van clipping (informatie verlies). De middelste foto is juist belicht en heeft een goede dekking. De rechter foto is overbelicht de meeste pixels bevinden zich rechts (wit kant). Ook hier is spraken van clipping en informatie verlies. Er is geen tekening in het wit. Nu we de verschillende histogram verschijningsvormen gezien hebben kun we niet spreken van goede en slechte histogrammen. Een histogram geeft alleen maar feiten weer, namelijk de verdeling van de helderheidwaarden van de foto. Het histogram bevindt zich op de camera en in de meeste foto bewerkingsprogramma’s. Met de verkregen informatie kunnen we besluiten de foto opnieuw te maken of binnen een bewerkingsprogramma te manipuleren. Maar realiseer je wel dat er bij clipping informatie verloren is gegaan ook de computer kan die er niet bij verzinnen.
    Bij gebruik van het histogram in een bewerkingsprogramma kunnen we de kwaliteit van de foto verbeteren door de toonschaal (dekking) beter te spreiden. Zolang er geen clipping zichtbaar is in het histogram (oversturing CCD) kan alles nog goed zichtbaar gemaakt worden met detail informatie.
    We hebben binnen JPEG het RGB model R=Rood= 8 bit G=Groen=8bit en B=Blauw=8 bit totaal 3x8= 24 bit kleur informatie per pixel. Maar deze informatie is wel opgesloten in een kleurgebied. We kunnen ons meer belichtingsspeelruimte geven door in RAW te gaan werken.

    HSB
    Hue Saturation Brightness (tint, verzadiging, helderheid)

    ICC
    INTERNATIONAL COLOR CONSORTIUM
    The purpose of the ICC is to promote the use and adoption of open, vendor-neutral, cross-platform color management systems. The ICC encourages vendors to support the ICC profile format and the workflows required to use ICC profiles. The ICC specification is now widely used and is referred to in many International and other de-facto standards. It has recently been approved as an International Standard, ISO 15076. The current version of the specification is Version 4, and all vendors of color management products are being strongly urged to upgrade their products to be v4 compatible. Click on the link below to get a summary of the main improvements achieved by upgrading to v4. Most profile creation software now available will produce profiles that conform to v4, and applications that will utilize them are widely available. This site contains information about the specification and about color management generally.

    Inktjetprinter
    Printer die inkt op het papier spuit.

    ISO
    International Standards Organization, een organisatie die zich bezig houdt met de normalisatie op elektrotechnisch gebied. De ISO-waarde in de fotografie duidt de lichtgevoeligheid van een film aan. Een 100 ISO film is viermaal minder lichtgevoelig dan een 400 ISO film. Ook CCD's in digitale camera's kunnen worden aangeduid met een ISO waarde.

    Jaggies
    Vaakgebruikte term voor het blokkerige effect aan de randen van digitale beelden.

    Kaartlezer
    Apparaat voor het uitlezen van geheugenkaarten en het overzetten van de gegevens naar de computer.

    Kalibreren
    Het afstemmen van de kleur van een apparaat, gerelateerd aan een ander apparaat zoals monitor, printer of scanner.
    Kalibreren Het aanpassen van kleurinstellingen van een apparaat op een vastgelegde standaard.

    Kelvin
    Eenheid van temperatuur, waarbij 0 Kelvin (K) het absolute nulpunt is. Deze maateenheid wordt vaak gebruikt voor het aangeven van de kleurtemperatuur van een beeldscherm. Deze waarden liggen meestal tussen de 5500K en 9300K.

    Kilobyte
    1024 bytes.

    Kleurbalans
    De nauwkeurigheid waarmee kleuren van een opname overeenkomen met de oorspronkelijke scène.

    Kleurcorrectie
    Aanpassen van kleur in een foto om een optimale kleurinstelling te bereiken of kleurzweem te verwijderen.

    Kleurdiepte
    Digitale afbeeldingen kunnen kleurechtheid benaderen. De manier waarop dit gebeurt wordt kleurdiepte, pixeldiepte of bitdiepte genoemd.

    Kleurtemperatuur
    De kleur van licht in graden Kelvin. Daglicht komt ongeveer overeen met 6500 graden K (Kelvin). Een gloeilamp heeft een lagere kleurtemperatuur, maar de kleur wordt omschreven als 'warmer'. Door het gebruik van filters kan de kleurtemperatuur van licht worden gewijzigd.

    Klonen
    Het kopiëren van beeldinformatie om bijvoorbeeld een oude foto te herstellen.

    Lagtime
    Dit is de tijd tussen het geheel indrukken van de ontspanknop en het daadwerkelijk nemen van de foto. De meeste camera’s gebruiken deze tijd om de camera scherp te stellen en de belichtingstijd te berekenen.

    Laserprinter
    Printer die met gebruik van een lasertoner op het papier brandt.

    LCD
    Liquid Crystal Display. Een LCD beeldscherm gebruikt vloeibare kristallen om een beeld weer te geven. De kristallen veranderen van kleur onder invloed van elektrische spanning. LCD schermen zijn populair in rekenmachines, digitale horloges en kleine beeldschermen, zoals op de achterzijde van digitale camera's.

    Li-Ion
    Lithium-Ion, hoog vermogen type herlaadbare batterij.

    Megapixels
    Verwijzing naar de capaciteit om meer dan een miljoen pixels (beeldpunten) te kunnen opslaan. Hoe meer (mega)pixels, hoe groter de afbeelding en hoe hoger de kwaliteit. Een 4-megapixel digitale camera is dus beter voor het maken van grote afdrukken dan een 2-megapixelcamera.

    Memory-Stick
    Een door Sony ontwikkeld en gebruikt verwisselbaar opslagmedium voor digitale informatie. De Sony Memory Stick kan worden gebruikt in audio-, video- en computer apparatuur. Memory Stick is te vergelijken met CompactFlash en MultiMediaCard, maar wordt bijna uitsluitend door Sony toegepast.

    Microdrive
    De IBM Microdrive is een harddisk in CompactFlash Type II uitvoering met een capaciteit van 170 MB tot 1 GB. Niet elke digitale camera met een CompactFlash Type II slot kan echter met een Microdrive werken. De miniatuur harde schijf in de Microdrive verbruikt redelijk veel stroom en genereert wat warmte. U krijgt er echter wel een medium met een zeer hoge opslagcapaciteit voor terug, zodat u honderden foto's kunt opslaan zonder van opslagmedium te hoeven wisselen.

    MultiMediaCard
    De MultiMediaCard of MMC is een bijzonder kleine geheugenkaart, met een gewicht van 2 gram en de afmetingen van postzegel. Daardoor zijn deze geheugendragers zeer geschikt voor kleine apparaten zoals een MP3-speler, een digitale camera of een mobiele telefoon. Net als CompactFlash kaarten bestaan MMC kaarten in verschillende geheugencapaciteiten. Met behulp van een adapter kunnen zij worden uitgelezen door een personal computer. SD (Secure Digital) is een speciale versie van de MMC die gebruik maakt van cryptografie om de data op het kaartje te beveiligen.

    Macrostand
    Met een normale camera moet u minimaal 40 tot 100 centimeter afstand houden om een scherpe foto te maken. Een aantal digitale camera’s heeft een macrostand waarmee u scherpe foto’s van een object kunt maken dat dicht bij de lens staat, bijvoorbeeld een close-up van een bloem, insect of modeltrein. In de macrostand kunt u alleen foto’s van (heel) dichtbij maken.

    Marquee
    Engels voor “selectie”.

    Megabyte
    1024 kilobyte.

    Megapixel
    CCD-resolutie van 1 miljoen pixels. Een megapixel digitale camera zou bijvoorbeeld een resolutie van 1152x864 pixels hebben.

    Memory-Stick
    Geheugenkaart, ziet eruit als een “stokje” (stick) en is beschikbaar in groottes van 4 tot 128 Mb.

    MOV
    Apple QuickTime MOVie filmbestand.

    Movie-Clip
    Een reeks van afbeeldingen die samen een film vormen, meestal opgeslagen in AVI-, MOV- of MPEG-formaat. Sommige digitale camera’s kunnen korte stukjes film met of zonder geluid opnemen.

    MP
    Afkorting van megapixel, bijvoorbeeld 1.5 Mp of 1.5 Mpixel.

    MPEG
    Motion-JPEG-filmbestand. Formaat om bewegende beelden in op te slaan. Een uitbreiding op het JPEG-beeldformaat, maar nu met meerdere afbeeldingen achter elkaar, wat een film/animatie oplevert.
    Er bestaat niet één omschrijving. Er zijn geen stilistische regels of formele normen waaraan ze moet voldoen. Ondanks de vele gradaties, tussenvormen en overlappingen met de kunst van outsiders, is er een aantal overeenkomsten aan te wijzen binnen de omvangrijke wereld van de naïeve kunst. Deze overeenkomsten hebben meestal meer betrekking op de kunstenaar en zijn achtergrond dan op de werken zelf. Daarbij valt nog op te merken dat het makkelijker is om te zeggen wat naïeve kunst niet is dan wat zij wel is. De naïeve kunstenaar heeft dus in de meeste gevallen geen kunstopleiding genoten en is niet op de hoogte of maakt geen gebruik van de regels van deze opleidingen of de regels van het perspectief. Naïeve kunst komt wereldwijd voor maar valt buiten historische of stilistische categorieën. Bovendien maakt de kunstenaar geen chronologische ontwikkeling door in zijn werken. In tegenstelling tot de snelle opeenvolging van modes en stijlen binnen de kunsthistorie, is de kunst van de naïeve kunstenaar een constant en stabiel element in de beeldende kunst. Wat is naïeve kunst dan wel? Allereerst is het een individuele kunst, het komt voort uit de kunstenaar zelf en is het product van een persoonlijke belevingswereld. Inspiratie haalt de kunstenaar uit zijn directe omgeving, uit zijn dromen, ervaringen of herinneringen. Hij kijkt op geheel onbevangen wijze naar zijn onderwerp, niet gehinderd door enige conventies op het gebied van kleurgebruik of ruimtebeleving. Vaak is er geen gebruik gemaakt van perspectief en zijn er geen schaduwen aangebracht. De kunstenaar probeert ook niet om de werkelijkheid zo getrouw mogelijk weer te geven, maar voegt er zijn eigen gevoel en emotie aan toe, zodat er een verschil ontstaat tussen de werkelijkheid en de afbeelding. De belevingswereld van de kunstenaar zelf is dus onmisbaar, maar de kunstenaar moet deze wel op een overtuigende wijze weer weten te geven. Wil de naïeve kunstenaar zijn originaliteit en spontaniteit behouden, dan dient hij niet te kijken naar andere kunstenaars of voorbeelden of stilistische elementen te imiteren. De voorstellingen zijn veelal ongekunsteld, eenvoudig en direct. Het gebruik van sprekende kleuren en een geordende compositie geven blijk van een optimistische kijk op het leven en de omgeving. Technisch en formeel kent de naïeve kunstenaar geen beperkingen in het schilderen. Het schilderen mag geen vaardigheid of routine worden, omdat dit dodelijk is voor de spontaniteit. Wel blijft het handschrift van een bepaalde kunstenaar meestal herkenbaar, hij weet zijn identiteit te behouden. De naïeve kunstenaar is per slot van rekening een individu, die middels zijn kunst op een geheel eigen wijze, ons een deel van zijn belevingswereld prijsgeeft. Derhalve is het bijna niet mogelijk om een sluitende definitie van de term 'naïeve kunst' te geven. De hierboven genoemde kenmerken zijn slechts bedoeld om als referentiekader te dienen bij het bekijken van naïeve kunst, het zijn zeker niet `de' voorwaarden waaraan

    NiCd
    Nickel Cadmium (Nicad) type herlaadbare batterij. Deze batterijen zijn erg milieuonvriendelijk

    NiMH
    Nickel-Metal Hydride, type herlaadbare batterij.

    NTSC
    National Television Systems Committee, ook vaak “Never The Same Color” genoemd. De beginselen van dit systeem zijn de basis van het huidige kleurensysteem in de gehele wereld. Het basisprincipe is de combinatie van twee beeldverzendingen, het ene beeld bevat de informatie voor helderheid, het andere (grovere) beeld bevat de kleur. Zwart-witontvangers gebruiken het eerste beeld, kleurenontvangers beide.

    Optische-zoom
    Bij optische zoom verandert u de instellingen van de lens door te draaien of te schuiven om het onderwerp dichterbij te halen.

    Optische-zoeker
    De optische zoeker van een camera laar de fotograaf de beelduitsnede bepalen met behulp van een lenzenstelsel. Bij een spiegelreflexcamera komt het beeld in de optische zoeker overeen met de opname, camera's met een losse optische zoeker hebben last van een parallax of beeldverschuiving.

    Overbelicht
    Een afbeelding die te licht is, alle lichte delen en kleuren zijn verloren gegaan; zelfs met software moeilijk te corrigeren en meestal niet te herstellen.

    PAL
    Phase Alternation Line, weergavesysteem voor tv ontwikkeld door W. Bruch van het Duitse bedrijf Telefunken. PAL is het bestaande Europese tv-systeem.

    Parallax
    Doordat een optische zoeker en het objectief op enige afstand van elkaar zitten stemmen de beelden die ze vormen niet honderd procent overeen, dit verschijnsel wordt parallax of beeldverschuiving genoemd. Op korte afstanden tot het onderwerp kan dit leiden tot verkeerde beelduitsneden; de afwijking is sterker naarmate er meer wordt ingezoomd. Gebruik in dergelijke gevallen de LCD-monitor om de beelduitsnede te bepalen; omdat het onjectief het beeld vormt dat op de LCD-monitor verschijnt treedt er geen parallax op.

    PCMCIA-kaart
    Sinds 1993 in gebruik en genoemd naar de ontwikkelaars Personal Computer Memory Card Industry Association, in de volksmond ook vaak People Cannot Memorize Complex Industrial Abbreviations genoemd. Later vereenvoudigd tot de naam PC-card. De PC-kaart is een PC-insteekkaart ter grootte van een visitekaartje van enkele millimeters dik en wordt voornamelijk in laptops gebruikt voor verschillende doeleinden (geheugenuitbreiding, gegevensopslag, netwerkaansluiting en modem).

    Photo-CD
    Cd met foto’s in een bestandsformaat vastgesteld door Kodak.

    Pixel
    Samentrekking van het Engelse PICture ELement. Aanduiding voor de vierkante beeldpunten die samen een afbeelding weergeven. Hoe hoger het aantal pixels; des te beter de kwaliteit van het beeld. Pixels kunnen echter niet oneindig klein zijn, waardoor digitale beelden er voor het geoefende oog enigzins blokkerig of gekarteld uit kunnen zien.

    PICT
    Beeldformaat van het Macintosh-platform, afkorting van "picture".

    Pictbridge
    PictBridge is een nieuwe open standaard waarbij de gebruiker van digitale camera's direct kan printen, zonder gebruik van een computer.

    Pixel
    Afkorting van Picture element. Kleinste beeldpunt in een afbeelding.

    Platform
    Besturingssysteem voor de verschillende typen computers (pc, Mac, Unix, enzovoort).

    PNG
    Portable Network Graphics, beeldformaat dat in MacroMedia software wordt gebruikt als standaard formaat.

    PPI
    Pixels Per Inch

    Resampling
    Proces dat plaatsvindt bij het vergroten of verkleinen van digitale beelden. Het vergroten wordt aangeduid met de term “upsampling”, het verkleinen wordt aangeduid als “downsampling”.

    RGB
    Red, Green & Blue. Een standaard kleurenmodel voor digitale afbeeldingen. Bij de zogenaamde additieve kleurmenging wordt de gewenste kleur verkregen door het mengen van Rood, Groen & Blauw. Dit zijn de primaire kleuren. Wit wordt gemaakt door rood, groen en blauw te combineren.

    Ruis
    Onregelmatige fluctuaties in spanningen veroorzaken ruis, via een luidspreker te horen als een gelijkmatig ruisend geluid. Op een beeldscherm spreken we van ruis wanneer vlekjes of 'sneeuw' zichtbaar zijn. Ruis kan het gevolg zijn van kleine storingen in een CCD-beeldelement.

    Resolutie
    De resolutie van een digitale foto geeft aan hoe gedetailleerd hij is. Resolutie wordt uitgedrukt in beeldpuntjes per inch (dpi of ppi). Hier geldt altijd: hoe meer puntjes, des te hoger de resolutie en dus des te beter het beeld. Verder geldt: hoe hoger de resolutie, des te groter het bestand.
    Het aantal pixels per inch (PPI) of dots per inch (DPI) van een afbeelding. De resolutie geeft een aantal beeldpunten per inch aan. Hierbij geldt: hoe hoger het getal, hoe beter de kwaliteit. Helaas neemt ook de bestandsgrootte sterk toe naarmate de resolutie groter wordt. Een beeldscherm met een resolutie van 1024x768 (XGA) levert een fijner beeld op dan een beeldscherm van 640x480 (VGA). De hoeveelheid computergeheugen die nodig is voor de opslag van dit beeld is echter aanzienlijk groter.

    RGB
    Rood, groen en blauw, de basiskleuren waaruit alle andere kleuren op computerbeeldschermen samengesteld kunnen worden.

    Ruis
    Lichte kleurafwijkingen (korreligheid) in een digitaal beeld.

    Scannen
    Het omzetten van een beeld op papier naar een digitaal beeld met een scanner.

    Spiegelreflexcamera
    digitaal Spiegelreflexcamera’s zijn vooral bedoeld voor de (semi-)professionele fotograaf en gevorderde hobbyist. Ze zijn duurder, groter en zwaarder en hebben verwisselbare lenzen. Verder hebben ze vaker aparte knoppen voor veel voorkomende instellingen, er is meer met de hand in te stellen en je kijkt door de lens. U kunt ook filters op de lens schroeven en deze camera’s kunnen sterke flitsers aan.
    Ook in de digitale wereld maken we onderscheid tussen compactcamera’s en spiegelreflexcamera’s.
    Digitale spiegelreflexcamera’s zijn vooral bedoeld voor de (semi-) professionele fotograaf en gevorderde hobbyist.
    Ze zijn duurder, groter en zwaarder en hebben verwisselbare lenzen. Verder hebben ze vaker aparte knoppen voor
    veel voorkomende instellingen, er is meer met de hand in te stellen en ze hebben een aansluiting voor een externe flitser.
    SLR, eenogig cameratype waarbij via een spiegel en prisma door de lens wordt gekeken, waardoor men ook fotografeert

    Smart-Media
    Geheugenopslag voor foto’s.

    Tegenlicht
    Doordat het onderwerp een felle lichtbron op de achtergrond heeft, kan het gebeuren dat de foto “onderbelicht” raakt: de voorgrond wordt te donker.

    Tekentableau
    Een op de computer aangesloten tablet waarop men kan tekenen of schrijven met een speciale pen.

    Thumbnail
    Afbeelding op postzegelformaat: een kleine, lage-resolutieafbeelding van een groter beeldbestand voor het snel opzoeken en bekijken van afbeeldingen.

    TIFF
    Tagged Image File Format, niet gecomprimeerd beeldformaat voor optimale kwaliteit. Neemt wel veel ruimte in beslag in vergelijking met GIF of JPEG, maar kent geen beeld- of kleurverlies. Tagged Image File Format; een bestandsformaat dat wordt gebruikt voor de uitwisseling van digitale beelden tussen apparatuur en computers. Het TIF-formaat is populair en wordt door de meeste grafische software en besturingssystemen ondersteund. Het formaat ondersteunt zowel het CMYK als het RGB kleurmodel, compressie zonder verlies en foto's met 16,7 miljoen kleuren.

    Uploaden
    Het versturen van gegevens vanaf een computer naar een ander computersysteem, meestal via een modemverbinding. U kunt digitale foto's uploaden naar de computer van een afdrukcentrale of naar een Internet website. Verzenden van gegevens naar een andere computer.

    USB
    Universal Serial Bus. Standaard voor het overbrengen van data die sneller is dan traditionele seriële of parallelle communicatie.
    Universal Serial Bus. Een nieuw type poort voor personal computers, gericht op het via kabels uitwisselen van informatie tussen randapparatuur en computer. Sanners, digitale camera's en printers gebruiken steeds vaker de USB interface voor de overdracht van beelden.

    Verliesvrije-compressie
    Een methode waarbij het fotobestand kleiner wordt gemaakt zonder de beeldkwaliteit aan te tasten.

    Witbalans-instellen
    Meten wat de lichtste waarde in een beeld is en dit instellen als witpunt.

    Witpunt
    Het punt op een gradatiecurve dat overeenkomt met zuiver wit. Door het corrigeren van de witbalans kan een opname een betere, natuurgetrouwe weergave geven van de werkelijke licht- en kleuromstandigheden. Dit is nodig omdat onze ogen zich automatisch aanpassen aan verschillende lichtomstandigheden, zoals een gloeilamp of direct zonlicht. Een handmatige witbalans zorgt ervoor dat het witpunt kan worden ingesteld door een wit object, zoals een vel papier, te meten.

    xD-Picture-Card
    De xD-Picture Card - xD is afgeleid van eXtreme Digital - is een Fujifilm en Olympus ontwikkelde ultracompacte geheugenkaart. Met afmetingen van 20x25x1,7 mm en een gewicht van 2 gram is het de kleinste en lichtste van alle op dit moment verkrijgbare geheugenkaarten. De xD-picture Card is leverbaar in geheugencapaciteiten van 16, 32, 64 en 128 MB. Kaartjes van 256 MB tot maar liefst 8GB zijn in ontwikkeling.

    Zoomfactor
    De meeste camera’s kunnen het beeld twee- tot driemaal vergroten, maar sommige hebben de mogelijkheid een onderwerp wel zes- tot tienmaal dichterbij te halen. Het is dan moeilijker om een scherpe foto te maken, want bij een hoge zoominstelling leiden de kleinste trillingen en bewegingen al tot onscherpe foto’s. Het gebruik van een statief beidt hiervoor een oplossing. Het voordeel van optisch zoomen is dat het traploos gebeurt: u kunt zelf bepalen hoever u inzoomt.

    Zwartpunt
    Het punt op een gradatiecurve dat overeenkomt met zuiver zwart. Zie ook witpunt.

    Brandpuntsafstand
    (f) is de afstand tussen het punt waar het licht de laatste keer wordt afgebogen nadat het objectief is gepasseerd (ook wel convergentiepunt genoemd) en het punt waar het licht perfect scherpgesteld op de film (sensor) valt (het brandvlak). De brandpuntsafstand wordt uitgedrukt in millimeters. Van oudsher wordt een objectief met een brandpuntsafstand f = 50 als de standaard genomen. Deze lens is vrij van groothoek of telelensvervormingen. Dit getal komt overeen met de de lengte van de diagonaal (inclusief de perforatiestrook) van een kleinbeeldnegatief (36 x 24 mm). Brandpuntsafstanden kleiner dan 50 mm zijn in principe groothoek en brandpuntsafstanden groter dan 50 mm zijn telelenzen. Het wisselen tussen verschillende brandpuntsaftanden biedt een aantal fotografische mogelijkheden: verandering van de beeldhoek en beïnvloeding van het perspectief. Vanaf hetzelfde opnamestandpunt geeft een groothoeklens (bijv 28 mm) meer weer dan de standaardlens (50 mm). Een telelens geeft minder weer, haalt het onderwerp dichterbij en het onderwerp wordt groter afgebeeld. In al deze gevallen blijft het perspectief hetzelfde. Als je dus het centrale deel van een groothoek opname zou vergroten, kijg je exact hetzelfde beeld als met een tele-opname. De afbeeldingsgrootten verhouden zich als de brandpuntsafstanden. Met een 200 mm objectief beeldt je het onderwerp dus 4x zo groot af als met een 50 mm lens Pas wanneer je het opnamestandpunt verandert wijzig je ook het perspectief. Over het algemeen kan worden gesteld dat een groothoeklens een goede of zelfs overdreven perspectivische werking heeft terwijl telelenzen het perspectief juist vervlakken. Dit is echter volledig afhankelijk van het opnamestandpunt. Het onderwerp bepaald in grote mate de keuze van de lens: een portret vraagt om een matige tele (80 mm), architectuur om een groothoek (28 mm) en dieren in het wild om een lange tele (300 mm). In de digitale fotografie komen we vaak de term "equivalent van" tegen. Deze term wordt gebruikt om lenzen ten aller tijden te kunnen vergelijken. De sensorgrootte van digitale camera's verschillen behoorlijk. Dit heeft tot gevolg dan de afbeeldingsmaatstaf steeds anders is. Om verwarring tegen te gaan is ervoor gekozen om steeds de brandpuntsafstand terug te rekenen naar de standaard van een kleinbeeldnegatief (36 x 24 mm). Op basis van dit gegeven kun je over de zoomcapaciteit van elke lens oordelen. De factor waarmee de brandpuntsafstand moet worden gecorrigeerd om weer gelijk te zijn aan het standaard kleinbeeldnegatief noemt men de cropfactor.

    Lichtsterkte
    Behalve door de brandpuntsafstand wordt een lens ook gekarateriseerd door de lichtsterkte. Deze wordt bepaald door de grootste werkzame opening. De lichtsterkte is af te lezen aan de grootst mogelijke diafragma waarde. Als deze f1,4 of f2 is wordt de lens een "snelle" lens genoemd. Deze term wordt gebruikt omdat een groot diafragma de mogelijkheid biedt om onder omstandigheden met weinig licht snelle sluitertijden te kiezen. Handig als je bijvoorbeeld sportende mensen wilt fotograferen in een overdekte sporthal. Ook is het prettig dat een lens met een grote lichtsterkte een heel mooi helder beeld geeft op het matglas, waardoor instellen erg prettig werkt. Bedenk wel dat een groot diafragma een zeer kleine scherptediepte levert. Voor een maximale scherpte is het meestal aan te raden om niet bij de grootste opening te fotograferen. Een f2.8/50 mm lens is even lichtsterk als een f2.8/200mm lens. De laatste zal echter een veel grotere doorsnee hebben. Bij zoomlenzen wordt meestal het maximale diafragma van de uiterste brandpuntsafstanden aangegeven. Bijvoorbeeld f2.8/28mm --> f5.6/200mm.

    Sluiter
    De sluiter regelt samen met het diafragma hoeveel licht de film of de sensor bereikt. Omdat de lichtomstandigheden altijd anders zijn moet dit een zeer flexibel systeem zijn. De sluitertijd moet dan ook over een groot aantal waarden instelbaar zijn. Technisch gezien zijn er twee typen sluiters: Centraalsluiter: Dit type bestaat meestal uit 5 lamellen die zich vanuit het midden openen, stoppen en dan weer dichtgaan na het ontspannen. Ze zijn meestal ingebouwd in het objectief. Korte sluitertijden zijn moeilijk te realiseren waardoor dit type sluiter eigenlijk nauwelijks nog wordt gebruikt. spleetsluiter: Dit type bestaat uit twee gordijntjes van dun metaal (meestal titanium). De gordijntjes kunnen ook opgebouwd zijn uit drie of vijf lamellen. Beide gordijnen lopen zeer snel vlak na elkaar dicht voor de film langs. Het filmbeeld wordt daardoor dus via een smalle spleet achtereenvolgens van rechts naar links of van boven naar beneden belicht. De loopsnelheid van de gordijnen en de spleetbreedte bepalen de effectieve belichtingstijd. In de digitale fotografie is de sluiter lang niet zo belangrijk meer. Vaak wordt de hoeveelheid licht die de beeldsensor verwerkt electronisch bepaald. In een aantal digitale camera's wordt alleen nog een sluiter gemonteerd om de sensor te beschermen tegen het licht dan onophoudelijk door de lensopening valt. Vaak wordt ook het diafragma voor deze taak gebruikt. In camera's zonder sluiter neemt het diafragma de beschermende functie van de sluiter over. Het diafragma is dan volledig gesloten als de camera niet wordt gebruikt. Het ontbreken van typische 'klik' als je op de ontspanknop drukt is een teken dat de camera geen sluiter bevat.

    Diafragma
    Het diafragma bepaalt de hoeveelheid licht die door de lens wordt gelaten. De diafragmareeks kenmerkt zich doordat elke opvolgende waarde een verdubbeling of halvering betekent van de doorgelaten lichthoeveelheid. De getallen verschillen echter een factor 1,4 van elkaar. Dit komt omdat het diafragma getal de verhouding is van de werkzame lensopening gedeeld door de brandpuntsafstand. De dubbele lichthoeveelheid wordt toegelaten bij een doorsnede die de wortel van 2 (=1,4) maal groter is. Bij een kleiner diafragma (hoger getal) verkrijg je meer scherptediepte, bij een groter diafragma (lager getal) minder.

    Filters
    Soms zijn er situaties (en die zijn er vaker dan je nu zult denken) waarin je camera wat hulp nodig heeft om het beeld goed vast te leggen. Die hulp kan uit de hoek van de filters komen. Hieronder worden de belangrijke filters genoemd: Polarisatiefilter: Als je een polarisatiefilter gebruikt worden alleen lichtstralen uit een bepaalde richtig doorgelaten. Het licht wordt dus gepolariseerd. Je moet het filter draaien totdat je geen reflecties meer op je onderwerp ziet. Als het licht ongeveer onder een hoek van 35 graden invalt bereik je het beste resultaat. Naast het verwijderen van de reflecties zul je merken dat het blauw van de lucht, het groen van het gras etc veel mooier tot zijn recht komt door het gebruik van dit filter. Op dagen en vooral met erg zonnig weer is dit een onmisbaar filter. UV-filter: Ook wel nevelfilter of skyline filter genoemd, en daarmee is eigenlijk de functie van dit filter al duidelijk. Het filter houdt de voor het menselijk oog onzichtbare ultraviolette straling tegen. Vooral in de bergen heb je hier snel last van. Iedereen kent wel die volledig blauw gekleurde foto's van een prachtige bergtop. Naast het verwijderen van de blauwzweem levert een UV filter ook een betere kleurweergave en een hoger contrast. De UV-filters zijn niet erg duur en kunnen als goede bescherming voor je lens dienen. Eigenlijk gewoon standaard erop laten zitten dus. Grijsfilters: Dit filter wordt iets minder vaak gebruikt maar kan toch erg handig zijn. Het filter reduceerd de hoeveelheid licht. Stel je voor dat je een digitale camera hebt die alleen op 200 ASA en niet lager ingesteld kan worden (en dat komt erg vaak voor!) of dat je in je analoge camera een iso400 film hebt zitten. Bij zonnig weer wil je vaak ook graag fotograferen met een open diafragma (weinig scherptediepte) en dan kom je niet uit met je belichting. Hier komt een grijsfilter van pas. Daarmee reduceer je het licht en kun je met een redelijke sluitertijd en open diafragma toch je foto maken.

    Polarisatiefilter
    Als je een polarisatiefilter gebruikt worden alleen lichtstralen uit een bepaalde richtig doorgelaten. Het licht wordt dus gepolariseerd. Je moet het filter draaien totdat je geen reflecties meer op je onderwerp ziet. Als het licht ongeveer onder een hoek van 35 graden invalt bereik je het beste resultaat. Naast het verwijderen van de reflecties zul je merken dat het blauw van de lucht, het groen van het gras etc veel mooier tot zijn recht komt door het gebruik van dit filter. Op dagen en vooral met erg zonnig weer is dit een onmisbaar filter.

    UV-filter
    Ook wel nevelfilter of skyline filter genoemd, en daarmee is eigenlijk de functie van dit filter al duidelijk. Het filter houdt de voor het menselijk oog onzichtbare ultraviolette straling tegen. Vooral in de bergen heb je hier snel last van. Iedereen kent wel die volledig blauw gekleurde foto's van een prachtige bergtop. Naast het verwijderen van de blauwzweem levert een UV filter ook een betere kleurweergave en een hoger contrast. De UV-filters zijn niet erg duur en kunnen als goede bescherming voor je lens dienen. Eigenlijk gewoon standaard erop laten zitten dus.
    Dit filter wordt iets minder vaak gebruikt maar kan toch erg handig zijn. Het filter reduceerd de hoeveelheid licht. Stel je voor dat je een digitale camera hebt die alleen op 200 ASA en niet lager ingesteld kan worden (en dat komt erg vaak voor!) of dat je in je analoge camera een iso400 film hebt zitten. Bij zonnig weer wil je vaak ook graag fotograferen met een open diafragma (weinig scherptediepte) en dan kom je niet uit met je belichting. Hier komt een grijsfilter van pas. Daarmee reduceer je het licht en kun je met een redelijke sluitertijd en open diafragma toch je foto maken.

    Zoeker
    Je gebruikt de zoeker (viewfinder) om het uiteindelijke beeld van je foto te bepalen. Een behoorlijk cruciaal onderdeel van de camera dus. Het is dus belangrijk om te kiezen voor een prettig zoekerbeeld waarbij de belangrijke informatie overzichtelijk en duidelijk zichtbaar is. In principe zijn er 4 verschillende type zoekers te onderscheiden. Optische zoeker: De optische zoeker treft men aan op veel compactcamera's. Hij bestaat uit een simpel optisch systeem dat de eventuele zoom van de camera volgt. De zoeker heeft een optisch pad dat parallel ligt aan dat van de lens. Het grootste probleem van deze zoeker is dat er zg. parallax ontstaat. Parallax is het effect waarbij het beeld in de zoeker niet vollledig overeenkomt met het beeld dat op de foto komt. Vooral bij korte afstanden tot het onderwerp treedt dit probleem op. Op een aantal compact camera's is de optische zoeker dermate klein gemaakt dat het (vooral voor brildragende mensen) gebruik niet prettig is.
    LCD zoeker: Omdat bij veel digitale compactcamera's de optische zoeker niet bijzonder prettig wordt uitgevoerd wordt er veelvuldig gebruik gemaakt van het LCD display op de achterzijde van de camera. Het beeld op deze LCD heeft geen last van parallax en komt dus 100% overeen met het beeld dat zal worden gefotografeerd. De mogelijkheden om accuraat scherp te stellen en kleur te bepalen zijn echter (zeker in situaties waarbij er veel zonlicht op het LCD valt) beperkt. Tevens zal het continue gebruik van het LCD veel capaciteit vergen van de batterijen, waardoor deze aanzienlijk sneller leeg zullen zijn. Electronische zoeker (EVF): De electronische zoeker (Electronic ViewFinder) is in principe een klein LCD scherm met een lensje ervoor. De EVF vervangt de optische zoeker. De zoeker heeft daardoor de voordelen van een LCD (accuraat beeld zonder parallax) waarbij de nadelen van batterij verbruik en zonlicht problemen worden gereduceerd. TTL optische zoeker (SLR):De Through The Lens optische zoeker is zonder twijfel de meest prettige zoeker, maar is voorbestemt voor de spiegelreflex camera. Zonder de spiegel is het niet mogelijk om een TTL optische zoeker te plaatsen. De TTL zoeker heeft een helder beeld zonder parallax, verbuikt geen stroom en biedt onder alle lichtomstandigheden goede mogelijkheden om scherp te stellen en het beeld te bepalen. Omdat er een spiegel voor de fotochip zit is het bij dSLR camera's niet mogelijk om het LCD achterop de camera te gebruiken als zoeker.

    EVF
    Electronic ViewFinder zie zoeker

    Lens
    De belangrijkste onderdelen van een digitale camera zijn de lens en de beeldsensor. Die laatste is een chip die uit miljoenen lichtgevoelige elementen bestaat die het invallende licht registreren. Er zijn twee soorten beeldchips: de CCD en de CMOS. De CCD biedt de beste kwaliteit, maar de CMOS is een stuk goedkoper. De lens is minstens zo belangrijk. Sommige fabrikanten vertrouwen op de producten van gespecialiseerde lenzenbouwers. Zo zijn bepaalde Sony camera’s uitgerust met een lens van het gerenommeerde Zeiss-Ikon. Negeer bij aanschaf de informatie over de digitale zoom. Digitaal zoomen is niet echt zoomen, want er worden slechts pixels bijberekend, wat een mindere kwaliteit oplevert. Een gemiddelde camera biedt 3x optische (echte) zoom. Eenvoudige camera’s hebben alleen digitale zoom en een lens met vaste brandpuntsafstand.

    LCD
    Het LCD scherm achterop de digitale camera biedt mogelijkheden om foto's direct te controleren en te organiseren. Bij veel digitale camera's wordt het LCD tevens gebruikt als zoeker. Besef dat dit bij een dSLR camera onmogelijk is. Het LCD kan meestal enorm veel informatie tonen. Foto informatie, histogrammen, menukeuzes en instellingen kunnen allemaal worden getoont worden op het LCD. Een redelijk groot, helder en scherp LCD werkt daarom prettig. De resolutie van de gebruikte LCD's varieert tussen de 120.000 en 240.000 pixels.
    Flitser In veel situaties is er invullicht nodig om tot een goede belichting te komen. Vaak moet je als fotograaf dan gebruik maken een flitser. Flitslicht is een stoot helder licht dat korter dan 1/500s duurt. De flits is een puntlichtbron die doordat hij dichtbij het onderwerp wordt gebruikt een aantal negatieve effecten kan hebben. Flitslicht geeft een zeer hard licht en de grote effecten van lichtafval maken het eigenlijk ongeschikt voor fotografie. Hier moet je als fotograaf van op de hoogte zijn zodat je er op kan anticiperen. Flitsertypes In principe zijn er 4 typen flitsers. De eerste is de ingebouwde flits die tegenwoordig op veel camera’s aanwezig is. Doordat deze meestal dichtbij de lens zit en een laag richtgetal heeft mag men daar over het algemeen niet veel van verwachten. Het tweede type is de meest simpele externe flitser en heeft enkel een instelmogelijkheid voor de hoeveelheid licht. De derde is een automatische flitser of een computerflitser. Deze heeft voorin de flitser een fotocel waarmee het gereflecteerde licht wordt gemeten. Als de iso waarde en het diafragma die op de camera zijn ingesteld goed zijn overgenomen zal deze flister over het algemeen een goede belichting geven. De laatste en meest geavanceerde flitser is de dedicated flitser. Dit zijn flitsers die speciaal ontworpen zijn om samen te werken met bepaalde type camera’s. Voor het meten van de belichting wordt het meetsysteem (DDL, door de lens) van de camera gebruikt. Dit verzekerd de fotograaf van een goede belichting zonder dat hij/zij iets hoeft in te stellen op de flitser. Flitser instellen: Bij het instellen van een handmatige of automatische flitser moeten de ISO waarde, de brandpuntsafstand en het diafragma van de camera worden overgenomen. Op de camera moet de juiste sluitertijd worden ingesteld. Op de meeste camera’s met een spleetsluiter moet de sluitertijd 1/125s of langer zijn. Dit moet omdat er anders een synchronisatieprobleem optreedt waardoor er grote kans bestaat dat de sluiter op de foto te zien is. Over het algemeen is de beste sluitertijd 1/60s voor een flitsfoto. Ook bij gebruik van de op de camera ingebouwde flitser moet rekening worden gehouden met de mogelijkheden van de flitser. Als de camera op P (automaat) wordt gezet past de camera zijn instellingen voor je aan, ook op S (sluitertijdvoorkeuze) waarbij je 1/60s instelt gaat het flitsen over het algemeen probleemloos. Let echter op dat het mis kan gaan op het moment dat je A (diafragma voorkeuze) instelt. Bij een te klein diafragma kan de flitser simpelweg onvoldoende licht leveren om tot een goede foto te komen.

    Richtgetal
    Een van de belangrijkste specificaties van een flitser is het richtgetal. Dit getal geeft de “kracht” van de flitser aan. Het richtgetal wordt bepaald door het product van het diafragma en de daarbij te gebruiken afstand. Een hoger richtgetal betekend dus dat de flitser krachtiger is. Richtgetal = afstand x diafragma Diafragma = richtgetal : afstand Als het richtgetal dus 24 is en de afstand is 3 meter dan is het te gebruiken diafragma f/8.

    Bounce-Flash
    Als de flitser als hoofdlichtbron gebruikt wordt is het vaak de beste oplossing om via een groot wit reflecterend oppervlak (het plafond o.i.d) te flitsen. Dit wordt de “bounce flash” of reflectieflits genoemd. Door deze flitsmethode wordt het karakter van het licht “verzacht”. Bij een handmatige flitser moet je dan rekening houden met de in te stellen afstand. Die is ongeveer net zolang als de weg van het licht. Bij de automatische flitser moet de fotocel altijd op het onderwerp gericht blijven (dus moet de kop van de flitser kantelbaar zijn).

    Invulflits
    Als het te fotograferen onderwerp veel last heeft van slagschaduwen en daardoor teveel contrastomvang heeft kan een invulflits worden gebruikt. Het beschikbare omgevingslicht is in een dergelijk geval de hoofdbelichting. Om het effect van de hoofdbelichting te behouden moet de flitser worden ingesteld op half of kwart vermogen. Bij een handmatige flitser kan men dit bereiken door op de camera een kleiner diafragma te kiezen dan aanbevolen wordt door de flitser. Stel de flitser geeft f/5.6 aan, dan stel je dus f/8 voor een 2:1 of f/11 voor een 4:1 verhouding in. Bij veel automatische flitsers wordt er een faciliteit geboden om op ½ of ¼ van het vermogen te flitsen. Als dat niet het geval is kun je de flitser “foppen” door voor de filmlichtgevoeligheid (ISO) op de flitser 2 of 4 maal de werkelijke waarde in te stellen.

    Menukeuzes
    Digitale en analoge camera's bieden een grote verscheidenheid aan belichtingsopties. Veel van deze opties zijn universeel, waarbij de ene camera wat meer opties biedt dan de andere. De opties waarbij de gebruiker zelf instellingen van diafragma en sluiter bepaald komen vaker voor op de dSLR-like en SLR camera's. Automatische belichting: De meeste camera's hebben een zogenaamd volautomatische belichtings programma. Hierbij bepaald de camera welke combinatie van diafragma, sluitertijd en ISOwaarde een correcte belichting opleverd. Indien er te weinig licht aanwezig is zal de camera automatisch gaan flitsen. Alhoewel deze automatische stand foto's met een correcte belichting opevert heeft de fotograaf zelf totaal geen controle over parameters zoals scherptediepte en bewegings-onscherpte. A-Aperture priority: In de aperture priority stand bepaald de fotograaf het diafragma, de camera berekend welke sluitertijd er nodig is om een correcte belichting te creeeren. In deze stand kan snel worden gewerkt waarbij de fotograaf zelf controle heeft over de scherptediepte. S-Shutter priority: In de shutter priority stand bepaald de fotograaf de sluitertijd, de camera berekend welk diafragma er nodig is om een correcte belichting te creeeren. In deze stand kan snel worden gewerkt waarbij de fotograaf zelf controle heeft over bewegingsonscherpte. Er kan een bewuste keuze gemaakt worden om bepaalde onderwerpen te bevriezen of juist te laten bewegen. M-Manual: In de manual modus kiest de fotograaf zowel het diafragma als de sluitertijd. Hierbij is het eenvoudig om subtiele belichtingen te corrigeren door stapsgewijze onder of overbelichting. Portret: In het portret-programma zal de camera een groot diafragma proberen te kiezen (weinig scherptediepte), waardoor het portret geisoleerd wordt van de rest van de foto.
    Landschap: In het Landschap-programma zal de camera een klein diafragma proberen te kiezen (veel scherptediepte), waardoor het landschap van voor tot achter veel scherpte heeft. Sport : In het sport-programma zal de camera een snelle sluitertijd proberen te kiezen. Hierdoor worden snelle momenten bevroren.
    Macro: In het macro-programma zal de camera een klein diafragma proberen te kiezen. Een macro-opname heeft altijd een erg kleine schertediepte (enkele mm), de keuze voor een klein diafragma vergroot deze scherptediepte zoveel mogelijk.

    Belichting
    De juiste belichting van een foto is van cruciaal belang en biedt vele creatieve mogelijkheden. Een aantal compact camera's geeft enkel de mogelijkheid om de camera op een automatische belichting in te stellen. De automatische standen gaan vaak gepaard met een aantal voorgeprogrameerde belichtingsprogramma's zoals portret, landschap, sport, avond (zie ook: meer over menukeuzes). Maak gebruik van deze programma's als dat het enige is wat de camera biedt. Op de duurdere modellen zit vaak ook de mogelijkheid om de belichting (semi)handmatig te regelen. Dit is voor de hobbyist die meer uit zijn fotografie wil halen zeker de aangewezen keuze. Je hebt dan de vrijheid om bewust te kiezen voor een gewenst effect. Het fotograferen met een handmatige belichting geeft meer creatieve vrijheden en is vaak helemaal niet zo moeilijk als met in begin vreest.
    Controle over de sluitertijd en diafragma maken je fotografie hobby en foto’s veel interessanter. Het is misschien even wennen maar de analogie van de sluiter en het diafragma is echt niet zo moeilijk te begrijpen…. (Tip: lees ook: fotografische basiskennis in simpel nederlands)
    Het diafragma en de sluitertijd bepalen samen de belichting van de foto. Ze bepalen samen hoeveel licht er gebruikt wordt en hoelang de CCD of het negatief aan dat licht wordt blootgesteld.

    Diafragma
    De grootte van de lensopening wordt uitgedrukt in f-stops (ratio brandpuntsafstand en diameter van het diafragma). Het mooie is nu dat elke stop in de reeks een verdubbeling van de doorgelaten hoeveelheid licht betekend.
    Logische diafragmareeks: 1, 1.4, 2, 2.8, 4, 5.6, 8, 11, 16, 22, 32, 45

    Sluitertijd
    Ditzelfde geldt voor de sluitertijd. Logische sluitertijdreeks 1s, 1/2 s, 1/4s, 1/8s, 1/15s, 1/30s, 1/60s, 1/125s, 1/250s, 1/500, 1/1000s, 1/2000s Door te wisselen van een sluitertijd van 1/250 naar 1/125 verdubbel je dus de hoeveelheid doorgelaten licht. Als je dus puur naar de doorgelaten hoeveelheid licht kijkt is een belichting van 1/60 bij f4 hetzelfde als een belichting van 1/30 bij f5.6.
    Voor je foto kan deze keuze echter van cruciaal belang zijn, een aantal redenen:

    Beweging
    Je sluitertijd kan bepalend zijn als het onderwerp beweegt. Wil je je foto bevriezen of wil je juist wat bewegingsonscherpte. Beide effecten kunnen heel mooi op een foto werken maar door zelf voor een geschikte sluitertijd te kiezen is de keuze aan jou.

    ISO
    Verder bepaalt de filmgevoeligheids-waarde (ISO) hoeveel licht er nodig is voor een correcte belichting. Voor analoge fotografie geldt dat films met een gevoeligheid van 50 of 100 ISO een hele fijne korrel hebben en zich erg goed lenen voor bijvoorbeeld landschapsfotografie. Films met gevoeligheden van 400 of 800 hebben een beduidend grovere korrel. Ook in de digitale fotografie is dit effect vaak waarneembaar. Hogere ISO waarden gaan vaak gepaard met meer ruis.

    Guldensnede
    Soms maak je een foto van een prachtig onderwerp maar het resultaat valt enorm tegen. Technisch is de foto goed maar op de een of andere manier wordt je niet door de foto "gepakt". Het is dan goed mogelijk dat de compositie van de foto niet helemaal lekker is. De meest pakkende foto's zijn over het algemeen opgebouwd volgens de regels van de gulden snede. De Gulden Snede (ook gouden snede, sectio aurea, sectio divina) is een populaire benaming voor een speciaal verhoudingsgetal, waarover veel verhalen de ronde doen. Zo zou het menselijk oog een voorkeur hebben voor voorwerpen die, qua onderlinge verhoudingen zoals lengte : breedte, in verhouding staan met de Gulden Snede. De Gulden Snede heeft een eigen symbool, namelijk de j. Dit spreek je uit al "fie", het is de Griekse letter phi.
    De oude Grieken bestudeerden deze deelverhouding (waaraan zij een bijzondere esthetische en mystieke waarde toekenden) met grote belangstelling en ook in later eeuwen hebben vele wiskundigen zich er mede beziggehouden. De gulden snede is ontleend aan de verhoudingen van het menselijk lichaam, ook aan die in dieren, bloemen, planten, kristallen enz." Allemaal heel leuk, maar hoe maak je daar als fotograaf nu makkelijk gebruik van? Het is eigenlijk een klein handigheidje: Deel je beeld zowel in de lengte als in de breedte op in drie gelijke delen. Dat levert 9 even grootte rechthoeken op. Het onderwerp van je foto moet dan: aan de bovenste of onderste horizontale lijn of aan de linker of rechter verticale lijn staan
    Op veel digitale camera's zit de functie van een "raster". Dat is meestal precies de 9 vlaks indeling die je zo makkelijk helpt een gulden snede te maken.
    De horizon in een landschap staat zo dus nooit in het midden en als de foto een richting heeft (bijvoorbeeld een kijk of bewegingsrichting) dan is de beste keuze vaak om het onderwerp zo te plaatsen dat de richting ruimte heeft in de foto. Laat dus bij een portret iemand de foto "inkijken" in plaats van eruit.

    Compositie
    Een sprekende, krachtige foto heeft over het algemeen een eenvoudige lijnvoering, een goede indeling (lees ook de tip over de gulden snede) maar vooral ook geen overbodige details. Als een foto erg veel storende details bevat wordt de aandacht van het hoofdonderwerp al snel afgeleid. Er zijn tal van mogelijkheden om storende details te vermijden. Denk daarbij aan het gebruik van een geringe scherptediepte, het juiste perspectief (laat bijvoorbeeld geen boom uit het hoofd van een gefotografeerd persoon groeien) en misschien wel de belangrijkste tip: benader je onderwerp! Door dichterbij te komen vermijd je veel onnodige details en wordt je hoofdonderwerp intenser weergegeven. Soms is het een drempel om bijvoorbeeld als enige voor aan het podium te staan bij een concert, het levert wel de beste plaatjes op!

    Patronen
    Een goede oefening voor elke fotograaf is het fotograferen van patronen. Het dwingt je om de omgeving eens op een totaal andere wijze te bekijken. Verken je omgeving om interessante patronen te ontdekken. Je zult daarbij versteld staan van de enorme hoeveelheid patronen die beschikbaar zijn. Op die manier vergroot je al snel je mogelijkheden om zeer interessante foto’s te maken. Belangrijk bij het fotograferen van een patroon is het voorkomen van storende elementen. Een onrustige achtergrond of een storend element in de compositie ruïneert als snel het gehele patroon. Daarom is het gebruik van een grote brandpuntsafstand (bijv. 200 mm) vaak aan te raden voor het fotograferen van een patroon. Je kunt daarmee voldoende inzoomen om de niet functionele dingen uit te sluiten. Daarnaast is het voordeel van telelenzen dat ze het perspectief samendrukken. Patronen worden het meest abstract weergegeven als ze zich in een 2 dimensionaal vlak afspelen. Als je ervoor zorgt dat de camera volkomen haaks op het onderwerp staat heb je weinig last van convergerende lijnen die een driedimensionaal beeld suggereren. Voor zeer abstracte patronen is een schaduwloos diffuus licht vaak de beste keuze. Voor minder abstracte patronen kan de schaduw van de zon juist het patroon vormen…de keuze is aan het oog van de fotograaf. Als kleuren het patroon onrustig maken of zelfs verstoren kun je er ook voor kiezen om in zwart-wit te fotograferen (of te bewerken). "

    Portretten
    Voor veel foto's is het goed om het onderwerp dicht te benaderen, dit geldt echter niet voor een portret. Maak portretten liever niet met een groothoeklens (24-38 mm). Het onderwerp wordt hierdoor namelijk vertekend weergegeven waardoor je portret een grote gok, een aardappelneus of hoe je het maar noemen wilt, krijgt. Neem dus iets meer afstand en gebruik een 50-80 mm lens (of zoom iets in met je zoomlens).
    Wil je iemand samen met een gebouw ("kijk hier zijn we bij de toren van Pisa") fotograferen maak dan niet de fout om de persoon vlak bij het gebouw te zetten en zelf veel afstand en een groothoeklens te nemen....dat ziet er echt niet uit. Neem afstand van het gebouw en laat de persoon met je meelopen, je kunt hem/haar dan prominent in het beeld plaatsen met het gebouw (eventueel een beetje onscherp) op de achtergrond.

    Landschappen
    Landschappen zijn waarschijnlijk de meest gefotografeerde onderwerpen. Voor veel mensen is het zien van een adembenemend landschap de reden om de camera maar weer eens onder uit de tas te halen en een foto te klikken. Waarom zijn de resultaten soms prachtig maar vaak ook een teleurstelling? In deze tip wordt een aantal tips gegeven die kunnen helpen om de landschapsfoto’s te verbeteren.
    De hierboven beschreven situatie is waarschijnlijk de meest voorkomende maar de slechtste situatie om een mooie landschapsfoto te maken. Vaak komt men tijdens een wandeling langs een prachtig panorama en wordt er even snel een foto van gemaakt. Een echte landschapsfotograaf neemt echter ruimschoots de tijd en komt op verschillende tijdstippen terug om met verschillende weertypen en kleurtemperaturen het landschap vast te leggen. Bedenk altijd eerst waarom je je zo aangetrokken voelt tot het landschap. Een handige tip is het beschrijven van het landschap waarbij je bewust gebruik maakt van bijvoeglijke naamwoorden (het weelderige oerwoud, de uitgestrekte uiterwaarden of de kleurrijke heide). Ga daarna op zoek naar de elementen in het landschap die de bijvoeglijke naamwoorden bevestigen en accentueren. De compositie is vaak bepalend voor een goede landschapsfoto. Probeer rekening te houden met de gulden snede in de vlakverdeling. De lucht kan 1/3 deel van de foto bestrijken of juist 2/3 deel als de lucht een belangrijk element vervult (naderend onweer over een weiland). Vaak zijn foto’s met de horizon exact in het midden minder prettig om naar te kijken. Uitzondering kan een spiegelend landschap zijn waar het juist versterkend kan werken om de horizon in het midden te laten. Om perspectief in de foto te krijgen kun je zoeken naar een omkadering. Een overhangende tak, een poortje etc etc kan hier prima in volstaan. Dit voorkomt dat de foto te vlak wordt. Ook een grafisch element op de voorgrond kan hier prima dienst bewijzen. Een boom, een berghutje of een persoon kunnen als oriëntatie voor de kijker dienen woordoor verhoudingen binnen het landschap duidelijk worden. Een andere maar zeer krachtige mogelijkheid is het fotograferen van een landschap met een beeldlijn. Een beeldlijn kan bestaan uit een weg, een hek, een rivier etc etc etc. De beeldlijn neemt de toeschouwer “aan de hand” en voert het blikveld op een prettige wijze door de foto. Voor landschapsfotografie worden meestal groothoekobjectieven gebruikt. Deze kunnen een groot deel van het landschap vastleggen en hebben zelfs bij een redelijk groot diafragma al erg veel scherptediepte. Er ontstaat veel perspectief door gebruik te maken van grafische elementen op de voorgrond. Bij gebruik van een teleobjectief is dat anders. Deze kort het landschap in, geeft het structuur en vat vormen en kleuren samen. Dit kun je gebruiken als je bijvoorbeeld een berg dreigend over een kleine hut wilt laten uittorenen. Het fotograferen van een totaaloverzicht kan prachtige foto’s opleveren maar blijf er altijd van bewust dat een detail soms de sfeer van een omgeving beter kan weergeven.

    Macro
    Door met de camera heel dichtbij te gaan kom je een heleboel interessante en mooie dingen tegen. Je kunt jezelf helemaal verliezen in de hoeveelheid detail die daardoor ineens zichtbaar wordt. De vraag is alleen…hoe? Hoe kom je tot een goede macrofoto. Macrofotografie begint bij 1:10. Dat betekend dat het beeld op het negatief (of de chip) 10X vergroot moet worden om het motief op ware grootte af te beelden. Dat betekend dat je van een normaal negatief een foto op bijvoorbeeld 24X36 cm moet afdrukken om alles weer op ware grootte te zien. Daarna kun je natuurlijk extremer het macrogebied ingaan. Dan moet je bijvoorbeeld aan 10:1 denken. Wat betekend dat het beeld op het negatief 10X groter is dan de werkelijkheid…en dat is heel erg veel. Daarna rest alleen nog de microfotografie waarbij de camera op een microscoop geplaatst moet worden. Stap 1 voor de macrofotografie is de kennis over je huidige apparatuur. Wat kun je ermee? Kijk eens in de handleiding om uit te vinden wat de minimale voorwerpsafstand voor je camera is. Hoogstwaarschijnlijk heeft de camera een zogenaamde macrostand, wat kun je ermee? Heb je de mogelijkheid om er voorzetlenzen voor te schroeven? Kun je je lens eraf halen en er een tussenring tussenzetten…of heb je geld over voor een echte macrolens? In deze powertip wordt de basis van de macrofotografie behandeld. Zodat je misschien een handvat hebt om je apparatuur beter te gebruiken of slim uit te breiden. Eerst even een stukje theorie. Het gaat er bij macrofotografie om dat je op de een of andere manier de beeldafstand (objectief tot de film) in verhouding tot de brandpuntafstand groot maakt. Want hoe groter de beeldafstand des te groter de afbeeldingsmaatstaf is. Dit kun je op twee manieren bewerkstelligen:
    Door middel van tussenringen of een balgapparaat wordt de afstand tussen objectief en film vergroot. 2) Door gebruik van voorzetlenzen wordt de brandpuntsafstand ten opzichte van de beeldafstand verkort. Door de voorzetlens wordt de brekingskracht van het objectief verhoogd. Beide methodes hebben hetzelfde effect namelijk dat de beeldafstand vergroot wordt, maar de karakteristieken van beide methodes zijn wel degelijk anders. Voor mensen met een spiegelreflex en verwisselbare lenzen is er altijd de optie om goedkope tussenringen of een balgapparaat te gebruiken. Je kunt met deze hulpmiddelen redelijk diep in het macrogebied doordringen maar de nadelen mogen er ook zijn: 1) er gaat veel licht verloren – hoe langer de uitrek des te meer licht er verloren gaat 2) het zoekerbeeld wordt in het extreme macro zo donker dat je nauwelijks meer kunt scherpstellen 3) de belichtingsmeter laat het bij zo weinig licht al snel afweten. Eigenlijk zijn voorzetlenzen een veel betere keuze. Ze zijn niet erg duur en ze verlengen de belichtingstijd niet. Een voorzetlens ziet eruit als een simpel filter zoals een UV-filter of een polarisatiefilter. Als je lens schroefdraad bevat kun je ze er simpelweg opschroeven..en aan de slag gaan. Voorzetlenzen met een dioptriewaarde van 0,5-1 zijn vooral bedoeld voor gebruik van objectieven van 85 tot 200 mm. Lenzen met een waarde van 2 tot 4 zijn geschikt voor de standaard objectieven (50 mm). Kwalitatief ben je echter het beste uit met een speciale macrolens, dit heeft echter 1 groot nadeel…de prijs. Tegenwoordig is er op erg veel zoomlenzen een zogenaamde macrostand aanwezig. Dit reikt echter meestal niet tot in het echte macrogebied en de over de kwaliteit mag je gerust twijfelen. Hier geldt hetzelfde als met alle lenzen: een lens die alles kan moet daarvoor altijd kwaliteit inleveren ten opzichte van een gespecialiseerde lens. De moderne optiek heeft echter grote stappen gezet en je kunt met deze lenzen vaak tot verbazingwekkend goede resultaten komen. Voor veel eigenaars van een digitale pocketcamera is dat een geruststelling want die camera’s zijn vaak niet uit te breiden met extra voorzetlenzen en al helemaal niet met tussenringen of een balg. Er zijn nog een heel aantal andere mogelijkheden om in het macrogebied door te dringen zoals achromaten, zoom-voorzetlenzen, converters en het in retrostand plaatsen van je objectief. Het reikt echter te ver om al deze opties hier te bespreken. Als je eenmaal gepakt bent door de macrofotografie dan zul je je vanzelf verder willen verdiepen in de mogelijkheden. Bij het maken van een macrofoto zul je snel merken dat een van de belangrijkste factoren de beperkte scherptediepte is. Dit kun je opvatten als een beperking maar ook als creatieve mogelijkheid. Let goed op de plaats van de scherptediepte (bijvoorbeeld de ogen bij een insect, de meeldraden van een bloem) en probeer niet altijd de maximale scherptediepte te creëren door maximaal te diafragmeren. Erg sterk diafragmeren vermindert de totale scherpte door buigingsverschijnselen langs de kanten van het irisdiafragma. Vaak is het verstandig om niet verder dan f/8 of f/11 te diafragmeren. Normaal gesproken strekt de scherptediepte zich tweemaal zo ver naar achteren uit als naar voren. Bij macrofotografie is dat echter niet meer zo. Door diafragmeren groeit de scherptediepte hier per stop ongeveer 50% naar voren en naar achteren. Allerdaagse onderwerpen kunnen vaak prima dienst doen voor prachtige macrofoto's. Neem eens een druppel afwasmiddel op een CD gefotografeerd met een halogeenlamp. Vaak is de hoeveelheid licht dus een probleem voor de macrofotografie. Zonlicht en reflectieschermpjes zijn daar in de buitenlucht vaak een oplossing voor. Lange belichtingstijden worden mogelijk door gebruik te maken van een statief. Maar als het licht echt te weinig wordt dan kun je niet anders dan flitsen. Bij camera’s zonder mogelijkheid een externe flitser aan te sluiten heb je dan al snel een enorm probleem. Bij macrofotografie benader je het voorwerp vaak tot erg dichtbij de lens. Met een ingebouwde flitser flits je dan ook al snel “over” je motief. Een externe flitser die je met een verlengkabeltje kunt loshaken en kunt richten is dan al snel de beste oplossing. Let erop dat computerflitsers het in dit soort gevallen meestal af laten weten. Een kleine goedkope handmatige flitser is daarom vaak de beste oplossing. Laat je niet ontmoedigen door de kleine technische problemen die je ongetwijfeld zal tegenkomen…er zijn tal van oplossing voor bedacht…..en macrofotografie is het waard!

    Dieren
    Bij het fotograferen van dieren staat het woord respect centraal, stoor ze niet en drijf ze niet in het nauw. Je bereikt er trouwens ook niets mee, want de lichaamstaal van bijna elk dier is zo duidelijk dat elke vorm van stress van je foto zal afstralen, geen prettig gezicht dus. Als je dieren (ook je eigen huisdier) rustig benaderd kun je vaak verrassend dichtbij komen, en dat is vaak de sleutel tot een mooie foto. De dieren in een dierentuin zijn vaak goed aan mensen gewend dus dat is een goede plaats om te oefenen op de beeldcompositie en specifieke kenmerken van het te fotograferen dier. Voor echte natuurfotografie komt er natuurlijk veel kijken. Je moet dan het geduld hebben om misschien wel dagen te wachten op 1 goede foto, en ook goede lichtsterke zoomlenzen kunnen dan niet gemist worden. Ikzelf heb geen ervaring met natuurfotografie maar misschien is er op de webfotoclub iemand die zelf veel ervaring heeft met natuurfotografie? Diegene is bij deze van harte uitgenodigd om eens wat ervaringen te delenVoor het fotograferen van huisdieren of dieren in de dierentuin kan ik echter wel een aantal handvaten geven: Probeer altijd dichtbij te komen en pas het perspectief aan op de ooghoogte van het te fotograferen dier. Dat betekend dus meestal dat je op je knieen of op je buik moet...gewoon doen want een vogelperspectief geeft meestal geen mooi beeld. Als je erg dicht naderd heb je snel een probleem met scherptediepte. Het lukt je vaak niet om de gehele kop scherp te krijgen, focus dan op de ogen. Als de ogen scherp zijn, spreekt de foto en mag de rest onscherp zijn. Daarnaast is het vaak mooi om de aandacht van het dier te trekken (rammel bijv. eens met een sleutelbos). Je zult zien dat de houding en de stand van de oren, kortom het gehele beeld wat meer dynamiek krijgt. Voor mensen met een digitale camera speelt het aantal te maken foto's nauwelijks een rol, maar ook met een analoge camera moet je daar niet te zuinig mee zijn. Maar al te vaak is die ene scherpe karakteristieke foto het gevolg van lang en veel proberen. Het onderwerp is namelijk niet geheel aan te sturen. Je kunt helaas niet tegen een tijger zeggen: "nu even naar links kijken en je grote muil laten zien!" Afwachten, het beest bestuderen zodat je weet wanneer hij iets gaat doen en veel foto's maken is vaak de enige oplossing. Wat ook heel mooi kan werken zijn de karakteristieke foto's. Zwemt je hond graag, of is je kat lekker lui dan zijn dat prima onderwerpen om een hele mooie karakteristieke foto te maken van het dier (bekijk de voorbeelden in de mei foto-opdracht). Herinner je tijdens het fotograferen altijd het volgende: "Shoot what you like, what you have passion for, and that passion will show through."

    Fotobewerking
    Eèn van de grote voordelen van digitale fotografie is de mogelijkheid een foto achteraf te bewerken. Fotobewerking biedt zowel de mogelijkheid om kleine schoonheidsfoutjes te corrigeren maar kan ook zeer artistieke en vervreemde foto's opleveren. Het is de keuze van de fotograaf hoe ver hij/zij een bewerkingen door wil voeren. Natuurlijk blijft de kwaliteit van het uitgangsmateriaal het eindresultaat bepalen.
    In de fotobewerking artikelen (zie rechtermenu) wordt een overzicht gegeven van een aantal mogelijkheden van fotobewerking. Dit overzicht kan nooit compleet zijn want de mogelijkheden zijn onbeperkt. In de artikelen wordt meestal uitgegaan van de terminologie zoals deze wordt gebruikt in Adobe Photoshop. Veel van deze termen zijn algemeen en kunnen zonder veel problemen ook gevonden worden in allerlij andere software.

    Standaard-bewerkingen
    Photoshop kan natuurlijk prima gebruikt worden om grafische effecten te creëren of foto’s volledig te vervreemden. Maar een zeer grote kracht van photoshop ligt ook in het verbeteren van foto’s. Natuurlijk blijft het van belang om op het moment zelf de foto zo goed mogelijk te nemen, maar met photoshop valt er achteraf een heleboel te “redden”. In deze tip beschrijf ik de door mij meest gebruikte gereedschappen voor fotoverbetering.

    Crop
    Direct na het openen van een foto druk ik even op de crop tool (c) en kies dan voor "voorste afbeelding". Hierdoor onthoud de crop tool de oorspronkelijke verhoudingen van je foto zodat je de foto’s later nog simpel op standaardformaten kunt laten afdrukken. Je kunt ook bijvoorbeeld een portretfoto openen en die gebruiken als voorste afbeelding om een landscape foto als portret te croppen. Ik wacht even met croppen totdat ik de foto recht heb gezet.

    rechtzetten
    Ik controleer altijd eerst even of de horizon of bijvoorbeeld erg bepalende verticale lijnen keurig recht lopen. Als dat niet het geval is gebruik ik het meetlatje dat onder de pipet (i) verstopt zit. Met de meetlat trek je een lijn over de horizon en dan ga je naar "afbeelding" "canvas roteren" "instelbaar" "OK". Nu kun je de foto gaan croppen en wel met de verhoudingen van de orginele foto. De uitsnede en de compositie van de foto moeten nu dus goed zijn…tijd om de belichting en de kleuren te beoordelen en indien nodig te wijzigen.

    Levels
    Ik gebruik voor wijzigingen in belichting, contrast of kleur meestal slechts drie photoshop tools, namelijk levels, curves en kleurverzadiging. Dit zijn allemaal zeer uitgebreide tools waarmee je na wat oefening enorm veel wijzigingen kunt bewerkstelligen. Het verdient aanbeveling om bij het wijzigen van de levels, curves en kleurverzadiging gebruik te maken van zogenaamde aanpassingslagen. Je kunt dan steeds bekijken wat de bewerking voor effect heeft gehad (door op het oogje in het lagenpalet te drukken), en eventueel weer wat nieuwe wijzigingen aanbrengen.
    Eerst speel ik meestal even met de level tool. Ik gebruik de automatische level functie nooit. Speel simpelweg eens met de drie driehoekjes onder het histogram en bekijk de effecten.

    Curves
    Daarna ga ik vaak naar de curve stool. Hiermee kun je bijvoorbeeld heel efficiënt een kleurzweem weghalen. Kies bovenaan met de dropdown voor een kanaalkleur en speel dan met de curve. Vaak is een subtiele wijziging van de vorm al voldoende om een kleurzweem te verwijderen.

    kleurverzadiging
    Tenslotte loont het vaak de moeite om nog even te spelen met de kleurverzadiging tool. Vergis je ook hierin niet, dit is een zeer uitgebreide tool waarmee je enorme effecten kunt bereiken. Speel simpelweg eens met de verzadiging en bekijk het enorme effect! Ook dit kun je voor afzonderlijke kleuren instellen.

    Unsharp-mask(USM)
    Als de belichting, contrast en kleur helemaal naar mijn zin zijn kun je nog even het filter unsharp mask gebruiken om de foto te verscherpen. Meestal zet ik daarbij de hoeveelheid tussen de 50 en 150%, de straal tussen de 1 en 2 pixels en de drempel op 0.

    Opslaan
    Nu kun je de foto opslaan als *.psd zodat alle aanpassingslagen beschikbaar blijven als je later toch niet zo tevreden bent. Ook kun je de foto opslaan als jpeg zodat het weer 1 laag wordt.

    Adjustment-Layers
    Adjustment Layers zijn speciale lagen die de flexibiliteit van je aanpassingen enorm vergroten. In plaats van het uitvoeren van een bewerking (b.v. levels, curves, hue/saturation) op je originele foto doe je de aanpassing alleen in deze speciale laag. Dat heeft als grote voordeel dat je altijd je instellingen voor die aanpassing kunt herstellen. Bij een bewerking op de originele foto kan dat alleen door in de History Palette terug te gaan naar die bewerking. Je bent dan alle bewerkingen daarna kwijt.
    Een Adjustment Layer werkt heel eenvoudig. Open een foto en ga naar het Layer Palette. Onderin vind je een icoontje met een rondje dat half wit, half zwart is. Als je daarop klikt zie je een menu met alle mogelijke bewerkingen. Per bewerking maak je een aparte Adjustment Layer aan. Dus als je levels en saturation bewerkingen doet moet je voor elk een layer aanmaken. Na het kiezen van de soort bewerking zie je het vertrouwde menu voor die bewerking en kun je je aanpassingen maken. Dat werkt identiek aan de normale manier. Zoals gezegd kun je later altijd je bewerking aanpassen, zolang de Adjustment Layer blijft bestaan. Dus ook als je je foto-project opslaat als .psd bestand. Als de bewerking je achteraf niet bevalt, kun je de layer weggooien en middels een nieuwe Adjustment Layer gewoon opnieuw beginnen. Andere bewerkingen (in andere Adjustment layers) blijven gewoon aktief.
    Omdat een Adjustment Layer zich verder gewoon gedraagt als normale laag kun je ook andere dingen aanpassen. Zo kun je de opacity (de mate waarin de laag meedoet t.o.v. de andere lagen) instellen. Voor curves en levels is dat misschien niet van belang, voor andere bewerkingen (b.v. het toevoegen van een gradient) juist weer wel. Het wordt nog leuker als je een aantal foto's hebt met dezelfde belichtingseigenschappen, waarop je graag dezelfde standaardbewerking (b.v. curves) wilt toepassen. Als je de foto's geopend hebt in Photoshop dan is dat met Adjustment Layers een kwestie van het slepen van die layer naar de andere foto's. En de ingestelde bewerking wordt direkt toegepast omdat de layer aan de foto wordt toegevoegd. Als deze uitleg je ingewikkeld voorkomt heb ik nog een tip: Experimenteer er eens mee. Je zult zien dat het erg simpel werkt en na een tijdje vraag je je af hoe je ooit zonder Adjustment Layers hebt kunnen werken !

    converteren
    Foto's converteren naar Zwart Wit. Probeer altijd te beginnen met een kleurenfoto. Dus geen B&W kiezen op je digitale camera. Want dan doet je camera de conversie en kun je helemaal niks meer beïnvloeden. Dan in Photoshop (in PSP werkt het ongetwijfeld ook maar dan heet het net even anders) NOOIT een conversie doen naar greyscale maar de conversie uitvoeren via de Channel Mixer. Die is eigenlijk bedoeld als een extra manier om je kleuren te beïnvloeden maar heeft een handig monochrome vinkje. Dat aanklikken en je foto is B&W. Nu heb je drie schuifjes om de afzonderlijke waarden voor Rood, Groen en Blauw te regelen. Speel daar maar eens mee, je ziet de foto voor je ogen veranderen. Dit werkt net zo als vroeger (in de chemische B&W-doka) de drie kleurenfilters. Als je de oorspronkelijke belichting wilt handhaven moet de optelsom van de waarden voor R,G,B uitkomen op 100. maar dat is geen wet, je kunt zelf helemaal bepalen wat je wilt bereiken. Eventueel kun je het vierde schuifje (Constant) nog gebruiken om de overall belichting bij te regelen.
    Je kunt hier ook met extreme waardes experimenteren. De beroemde landschapfotograaf Ansel Adams kun je b.v. nadoen door de waardes +140, +160, -200 voor R,G,B te gebruiken. Wel alleen voor landschappen die zijn stijl rechtvaardigen, bij veel andere foto's ziet het er niet uit. Als je de waarden op +33, +33, +33 zet kom je overigens op hetzelfde resultaat uit als bij een gewone grayscale conversie. Doe al deze channelmixer wijzigingen bij voorkeur in een adjustment layer (zoals beschreven in mijn encyclopedie onderwerp over adjustment layers) dan kun je e.a. altijd later nog wijzigen. Je kunt in LAB-mode (op het lightness channel) ook conversies naar B&W doen, maar die gebruik ik nooit omdat je volgens mij dan minder kunt beïnvloeden. Dat is wel de kunst bij Photoshop, er zijn heel erg veel manieren om iets te bereiken, je moet alleen de voor jou fijnste manier vinden en daarbij blijven. Ik ontdek bijna dagelijks nieuwe kunstjes maar hanteer inmiddels wel mijn eigen werkwijze. Je ziet aan veel gereedschappen binnen PS weer eens dat het helemaal geen toverkunsten zijn, maar gewoon een digitale versie van de ouderwetse doka. vrijwel alle dingen die je vroeger in de doka kon kan je in PS ook. Alleen is het allemaal veel makkelijker (vooral kleuren beïnvloeden) en sneller dan toen. Als je een set filters wilt gebruiken die veel werk voor je automatiseren (op zowel B&W als kleur) dan raad ik www.optikvervelabs.com aan. Hun plugin VirtualPhotographer is een gratis set aan filters waarbij je per filter ook nog zelf alles kunt instellen. De plugin werkt ook in PSP. Alle effecten zijn instelbaar en daardoor heel direct te controleren. Ook deze filters zijn, zoals de naam al zegt, gebaseerd op Doka-technieken van vroeger.

    Actions
    Als je over photoshop 5 (over hoger) kan beschikken heb je de mogelijkheid om te werken met de zeer krachtige actions. Photoshop actions zijn eigenlijk niets meer dan macro’s. Je kunt ze gemakkelijk opnemen, wijzigen, opslaan en delen met andere geïnteresseerden. Eigenlijk is een action niet meer dan een textfile waarin alle uitgevoerde commando’s staan. Als je dit bestand bewaart dan slaat photoshop dit op als .atn file. Als dit bestand wordt afgespeeld worden alle commando’s achtereenvolgens uitgevoerd. Actions hoef je niet te installeren want het zijn geen executables. Je kunt ze binnen photoshop ten aller tijden aanroepen. Start photoshop en ga naar het actionspallet (type F9). Rechtsboven in dit pallet zie je een klein pijltje, als je daarop klikt open je het actions menu. Je kunt door de lijst naar beneden scrollen totdat je “load actions” ziet staan. Browse nu naar de plaats op de harde schijf waar je je nieuwe actions hebt staan en laad ze in het palette. Nu kun je je foto openen en de action afspelen

    Verkleinen
    Foto's verkleinen voor het web. Het is natuurlijk schitterend dat elke digitale camera tegenwoordig minimaal een pixel aantal heeft van 3 mb, en ook diascanners produceren prachtige files. Dat neemt echter niet weg dat deze bestand groottes voor het gebruik op internet niet handig zijn. Daarom moeten we de foto’s verkleinen. Daar is altijd veel discussie over maar ik probeer een aantal handvaten te geven.
    Voor weergave op een beeldscherm rekenen we altijd in het absolute aantal pixels. Dat is nl. ook de benadering van de beeldschermfabrikanten (schermresolutie wordt aangegeven in 800X 600 of 1280 X 1024). Moderne camera’s hebben al snel een resolutie van 1536X 1024 pixels. En dat is echt te veel voor een webpagina. Voor de TL is bijvoorbeeld een maximale breedte van 800 pixels of 800 pixels hoog optimaal. Er moeten dus pixels verdwijnen. Dat klinkt een stuk ingewikkelder dan het in feite is want het kan op twee manieren: 1) een uitsnede maken. Als je een onderdeel van een bepaalde foto wilt benadrukken kun je er voor kiezen om overbodige elementen weg te snijden (croppen). Alle bekende fotobewerkings software (photoshop, ACDsee, Ulead, irfan etc etc.) heeft hiervoor het juiste gereedschappen in huis. 2) Downsampling. Downsampling is het verminderen van het aantal pixels door de kleuren van de bestaande pixels te interpoleren. Ook dat is een functie die in veel van de genoemde software pakketten beschikbaar is. Als u een rigoureuze downsampling uitvoert kunt u dat het beste in een aantal stappen uit te voeren. Hanteer als vuistregel dat een afbeelding nooit meer dan 50% van de hoogte of de breedte ineens mag afnemen. Als je dus een foto tot 30% van het origineel wilt verkleinen voer je eerst een reductie van 50% uit en in een tweede stap nogmaals 60% (dit omdat 60% van 50% evenveel is als 30% van de oorspronkelijke grootte). Hierdoor verzeker je jezelf ervan dat elke pixel daadwerkelijk berekend wordt en er geen details onnodig verloren gaan. Bijna alle volwassen software pakketten houden automatisch rekening met deze stapsgewijze downsampling. De meeste digitale camera’s slaan de foto’s op in het JPG bestandsformaat, dat is ook een uitermate geschikt formaat voor het gebruik op Internet. Naast JPG kan ook het nieuwere PNG formaat gebruikt worden. Files die ongecomprimeerd zijn opgeslagen (zoals TIFF of RAW) zijn veel te groot en kunnen niet gebruikt worden op de WebFotoClub. Gif bestanden kunnen wel gebruikt worden maar u moet zich realiseren dat dit formaat slechts 256 kleuren ondersteund terwijl JPG en PNG ondersteuning bieden voor 16 miljoen kleuren. In photoshop werkt dit alles heel makkelijk door een foto te openen en dan onder bestand te kiezen voor “opslaan voor het web”. Daar kies je bestandsformaat JPG, kwaliteit 80 en onder “foto grootte” zet je 900 pixels als grootste waarde voor de breedte. Kies opslaan en je bent klaar! Ook in andere pakketten vindt je onder ergens onder “resize image” al snel de mogelijkheid om die maximale grootte van 900 pixels aan te geven.

    Bestandsformaat
    Het bestandsformaat bepaalt de wijze van opslag op uw computer. Kennis van de verschillende beschikbare formaten is cruciaal als de keuze gemaakt moet worden. Hieronder volgt een opsomming van de belangrijkste formaten
    JPEG JPEG (Joint Photographic Experts Group) is het populairste bestandsformaat voor de digitale fotografie. Veel compactcamera's gebruiken dit als standaard opslag en compressie formaat. Het grote voordeel van JPEG is dat foto's slim gecomprimeerd worden waardoor de bestanden klein blijven. JPEG compressie maakt gebruikt van DCT (discrete cosine transform). Als foto's met een goede kwaliteit worden gecomprimeerd is het vaak moeilijk om het kwaliliteits verlies waar te nemen. Besef echter wel dat elke keer dat een jpeg foto opnieuw wordt opgeslagen er kwaliteitsverlies optreedt. Bewaar daarom altijd de orginele foto en de bewerkingen apart. Het formaat JPEG2000 maakt gebruik van een andere compressie techniek (golfcompressie). Hierdoor is de compressie 20% hoger, zijn de kleuren beter gewaarborgd en bestaat ook de optie om zonder kwaliteitsverlies te comprimeren. TIFF Veel camera's kunnen de foto's ook opslaan in het zogenaamde TIFF (tagged image file format) formaat. Deze foto's nemen veel ruimte in beslag maar verliezen geen informatie. Herhaaldelijk opslaan is in dit formaat geen probleem. Als een camera beschikt over een middelmatige processor neemt de opslag van een TIFF foto veel tijd in beslag. Het TIFF formaat is een universeel geaccepteerd formaat. RAW De betere digitale camera's bieden de mogelijkheid om een foto op te slaan in RAW formaat. Deze bevat de onbewerkte informatie die volledig gelijk is aan de gemaakte foto. Het bestand is zo'n 60% kleiner als een foto in TIFF formaat. Alle processen die normaliter worden uitgevoerd door de cameraprocessor (sharpening, witbalans etc) moeten later in speciale software (geleverd door de fabrikant) worden uitgevoerd. Het resultaat is daardoor beter te beheersen en kwalitatief vaak superieur aan de automatische bewerkingen door de camera. Duidelijk moet zijn dat in dit formaat alle foto's dus handmatig bewerkt moeten worden. PSD Een PSD file is een photoshop file welke alle layer-informatie bevat. Een prima manier om bewerkte foto's in op te slaan omdat je dan steeds terug kunt en bewerkingen ongedaan kunt maken (of veranderen). Vooral als er bij de bewerking gebruik is gemaakt van adjustment layers is dit formaat aan te bevelen.

    A/D-conversie
    De A/D conversie beschrijft de omzetting van Anoloog (beeld) naar Digitaal (bestand) en wordt uitgedrukt in bit per kanaal. Dit geeft een vergelijking van het aantal kleuren per primaire kleur (kanaal), vergelijkbaar met de bitdiepte. Een 16 bit A/D conversie - in theorie althans - betere resultaten dan een 8 of 12-bit conversie.

    Aandrukplaat
    Een verende plaat die de film tegen het beeldvenster van een camera aandrukt, zodat de film volkomen vlak komt te liggen.

    ABBE-Ernst
    1840 - 1905 Duits natuurkundige. Eerst wetenschappelijk leider van de Carl Zeiss fabrieken in Jena. Later eigenaar van het bedrijf. In samenwerking met de Schott glasfabriek (die later met Zeiss fuseerde) ontwikkelde hij veel nieuwe fotografische en microscoop objectieven, meetinstrumenten en kijkers.Uitvinder van apochromatische objectieven.

    Aberratie
    Afbeeldingsfout ontstaan doordat niet alle stralen op een en hetzelfde punt geprojecteerd worden waardoor de beeldkwaliteit vervormd wordt. Lensfouten komen voor als chromatische en sferische aberratie, coma, astigmatisme en beeldveldwelving.

    Absorptie
    Materialen absorberen en reflecteren deels of volledig het licht wat op hen valt. Hierbij bepaalt de gereflecteerde golflengte de kleur van het materiaal.

    Abstract
    Zonder herkenbare voorstelling uit de werkelijkheid. Ook wel non-figuratief genoemd. De vormen, vormgeving, compositie, kleuren, symboliek en andere beeldelementen moeten een emotie opwekken bij de toeschouwer. Deze emotie vormt de eigenlijke inhoud van een abstracte afbeelding.

    Achromaat
    Een simpel objectief opgebouwd uit een positieve lens van kroonglas en een negatieve lens van flintglas. Hierdoor wordt chromatische aberratie sterk verminderd. Verschillende achromaat ontwerpen stammen uit 1839 (oude achromaat) 1857 (nieuwe achromaat) en 1924 (frontar).

    Achtergrondpapier
    Studioaccessoire om storende (achtergrond-) elementen te elimineren.

    AD
    Anomale Dispersie, Minolta terminologie voor een speciaal glassoort, dat gebruikt wordt in apochromatisch gecorrigeerde teleobjectieven. Zie ook: ED

    ADAMS-Ansel
    1902 - 1984 Amerikaans natuurfotograaf, uitvinder van het Zone Systeem en medeoprichter van de groep "f/64". Hij begon zijn carriëre als concertpianist. Pas een ontmoeting met Paul Strand zette hem aan om van fotografie zijn kostwinning te maken. Toen het nog mode was om artistiek onscherpe foto's te maken en schilderijen te imiteren, begon Ansel Adams met een vorm van pure fotografie. Fotografie was in staat om een nieuwe blik op de werkelijkheid te geven, door een zo groot mogelijke detailweergave en scherpte. Adams publiceerde 24 boeken met dramatische foto's van de Amerikaanse natuurparken, waarmee hij de bewustwording van natuurbehoud enorm gestimuleerd heeft. Zijn bekendste foto is "Moonrise over Hernandez", die tot de duurst betaalde foto's ter wereld behoort. Zie ook: Zone Systeem

    Additieve-methode
    Methode waarbij licht van verschillende kleuren wordt vermengd en bij elkaar opgeteld. Wanneer de drie primaire kleuren in gelijke houding worden gecombineerd geeft dit wit licht.

    AE-lock
    Auto-exposure lock. Een mogelijkheid van een camera om tijdelijk de belichting vast te zetten.

    AF
    Autofocus, automatische scherpstelling

    AF-Assist
    Een hulpmiddel van een flitser, waarbij het autofocus systeem het onderwerp kan herkennen en de focus kan vastzetten. Het wordt met name gebruikt bij weinig licht. Autofocus gebruikt contrast. AF-assist gebruikt een patroon met hoog contrast en is een perfect doel.

    AF-lock
    Autofocus-lock. Een mogelijkheid van een camera om de automatische scherpstelling tijdelijk vast te zetten.

    AL
    Asferische Lenzen. Lenzen met een niet standaard bolling. Afhankelijk van de beoogde correctie wordt de rand van de lens meer of minder afgevlakt. Zelfs bij grote diafragmaopening worden afbeeldingfouten dan gereduceerd. Vroeger was de productie van deze lenzen zeer kostbaar omdat er veel meer slijpgangen aan te pas kwamen. Tegenwoordig worden asferische lenzen van hoogwaardige kunststof gegoten. Moderne objectieven bevatten vaak een asferisch lenselement.

    Aliasing
    "Trappetjes" in randen of lijnen in digitale bitmap afbeeldingen die zijn opgebouwd uit blokjes.

    Analoog
    Een signaal wat bestaat uit variaties, bijvoorbeeld in voltage. Dit in tegenstelling tot digitaal, wat bestaat uit een "aan" of "uit" signaal zonder variaties in hoeveelheid signaal.

    Anastigmaat
    Een objectief dat uit verschillende elementen bestaat waardoor aberraties worden verminderd.

    Anti-aliasing
    Het verzachten van het "trappetjes" effect rond randen en lijnen in een digitaal bestand, waardoor de rand gladder lijkt.

    Aperture
    1) Engelse term voor lensopening, diafragma. 2) Uitgeverij van hoogwaardige fotoboeken en een tijdschrift met dezelfde naam.

    APO
    Apochromatische correctie. Correctie van chromatische aberratie in objectieven, bij met name lange brandpunten. Echte APO-objectieven zijn voor de drie kleuren rood, blauw en groen gecorrigeerd. Veel objectieven worden ten onrechte APO genoemd omdat ze slechts voor twee kleuren gecorrigeerd zijn.

    APS
    Advanced Photo System, een filmformaat dat in 1996 geïntroduceerd werd door een collectief van de grootste camera- en filmfabrikanten. Volgens de officiële propaganda werd dit systeem geïntroduceerd omdat de kwaliteit van filmemulsies een kleiner formaat toestonden, en om een magneetstrip op de film te plakken die dataopslag mogelijk maakte. In werkelijkheid was de westerse cameramarkt verzadigd, en moest een nieuwe klantenlokker gecreëerd worden. APS is vooral bedoeld voor de amateur-fotograaf. Professionele zwart-wit en diafilms worden dus niet in APS-formaat aangeboden. Een magnetische laag op de film slaat informatie op, zoals beeldformaat (panorama), lichtbron, datum en tijd. Theoretisch kan deze informatie gebruikt worden om tijdens het afdrukken betere resultaten te produceren. In werkelijkheid worden deze data zelden (optimaal) benut. Na ontwikkelen wordt de film in zijn cassette opgeslagen en met een indexvel afgeleverd. De negatieven kunnen er alleen door de afdrukcentrale uitgehaald worden. Hierdoor zijn ze beter beschermd tegen onvakkundige behandeling, stof, krassen, vingerafdrukken etc.

    APUG
    Analog Photographers Users Group. http://www.apug.org Non-profit online forums die duizenden fotografen over de gehele wereld verbinden en zich uitsluitend bezig houden met traditionele fotografische film en donkere kamer technieken. APUG bevat ook Nederlandstalige forums.

    Arcadia
    Met betrekking tot pastorale voorstellingen

    AS/ASL
    Tokina en Tamron terminologie voor asferische lenzen. Zie ook AL

    ASA
    American Standards Association: een serie getallen die de snelheid van een film aangeven. Een stop meer gevoeligheid betekent een verdubbeling van het ASA getal. Het ASA systeem is inmiddels vervangen door het ISO systeem.

    ASP
    Nikon en Sigma afkorting voor asferische lenzen. Zie ook AL.

    Astigmatisme
    Lensfout. Hierbij vormen de lichtstralen die schuin door de lens vallen geen punt maar een lijn. Astigmatisme komt voornamelijk voor bij eenvoudige objectieven.

    ATX
    Advanced Technology X-tra, beschrijving van hoogwaardige Tokina objectieven

    Auto-bracketing
    Een mogelijkheid van veel camera’s om twee tot drie beelden automatisch achter elkaar te nemen met verschillende belichtingen, meer of minder dan de correct gemeten waarde van sluitertijd en diafragma. Meestal zijn het 1/3, ½ of 1 stops en met name bij diafilm erg nuttig. Zie: belichtingstrap.

    Autofocus
    Mogelijkheid van vergroters en (moderne) camera’s om automatisch scherp te stellen.

    Automatische-belichting
    Camerasysteem waarbij een lichtgevoelige cel sluitertijd en/of diafragma instelt.

    Available-light-fotografie
    Bestaand licht fotografie. Fotografie waarbij geen gebruik gemaakt wordt van flitsers of fotolampen. Dit begrip wordt vooral gebruikt voor avond- en nachtfotografie of situaties waarbij eigenlijk te weinig licht aanwezig is.

    Avant-garde
    Voorhoede: kunstenaars die met nieuwe vormen experimenteren. Als term gebruikt vanaf het midden van de 19de eeuw.

    B-instelling-(Bulb)
    Instelling van de sluitertijdenknop, waarbij de sluiter open blijft staan, zolang de ontspanknop wordt ingedrukt. De afkorting komt van "bulb", het ouderwetse knijpballetje waarmee de ontspanknop ingedrukt werd.

    Balg
    Een flexibele koker van leer, textiel of een ander lichtdicht materiaal tussen het objectief en de film. Een balg staat extreme verstellingen van het objectief toe, waardoor shift, tilt, en swing mogelijk worden. Balgen worden vooral in vergroters, technische camera's en voor macro-fotografie gebruikt.

    Balhoofd
    Een verstelbaar platform bovenop een statief welk scharniert als een kogelgewricht. De positie van het balhoofd kan met slechts één schroef in elke stand vastgezet worden. Hierdoor is de camera gemakkelijk en snel in een bepaalde stand te brengen en houden.

    Barn-doors
    Kleppen die op een studiolamp passen, waarmee de fotograaf de lichtbundel kan richten.

    Beeldcirkel
    Het cirkelvormige beeld wat een objectief werpt op een matglas op filmvlak. De beeldcirkel wordt pas (echt) belangrijk bij het gebruik van een technische camera. Het maakt in tegenstelling tot de 'starre' camera afwijkende (corrigerende) instellingen mogelijk.

    Beeldhoek
    Het deel van het beeld dat door een lens met een bepaald brandpuntsafstand op de film valt. Zo geeft een 50mm lens in een 35mm camera een hoek van 46 graden en een 28mm lens en van 74 graden.

    Beeldtransport
    Mechanisme van een camera welk de film transporteert naar het volgende onbelichte stuk voorziening waarbij na de opname automatisch naar het volgende onbelichte negatiefdeel wordt getransporteerd.

    Beeldwelving
    Lensfout waarbij het scherptevlak hol gekromd is in plaats van plat. Hierdoor wordt niet het hele beeld scherp weergegeven op de film.

    Belichtingscompensatie
    Het door de camera of handmatig bepaalde belichtingsniveau handmatig bijstellen, ter compensatie van foutieve metingen. Toegepast bij voornamelijk donkere of lichte onderwerpen.

    Belichtingsfunctie
    Cameratechnologie die de mogelijkheid bieden op meerdere manieren de opname te belichten. Variërend van volautomatisch tot handbediening.

    Belichtingsmeter
    Een instrument om de hoeveelheid licht te meten. De aangegeven waarde kan vertaald worden naar combinaties van sluitertijd en diafragma. Belichtingsmeters zijn uit de fotografie niet meer weg te denken. Ze zitten in alle moderne kleinbeeld of middenformaat camera's, flitsers, analysers etc. De alleroudste belichtingsmeters waren chemisch. Men mat de tijd om een strookje lichtgevoelig materiaal te laten verkleuren tot een bepaalde standaardkleur. Daarna kwamen optische belichtingsmeters. Hierbij werd in de schaduwpartij gekeken wanneer met het blote oog in een grijswig of op een contrastschaal juist geen details meer de onderscheiden zijn. Ook deze worden niet meer gebruikt. Belichtingsmeters werden pas echt belangrijk met de introductie van foto-elektrische cellen. Hierin zijn verschillende generaties te onderscheiden. 1) Gasgevulde emissie fotocel. Deze belichtingsmeters zijn uiterst snel, maar erg groot. Ze worden alleen nog in laboratoria gebruikt. 2) Seleniumcel. Op een koperen plaatje wordt eerst een laagje selenium aangebracht en daarna een transparant laagje goud. Als er licht opvalt, ontstaat er een spanningsverschil wat met een uiterst gevoelige microampèremeter gemeten wordt. Dit signaal moet versterkt worden om het praktisch bruikbaar te maken, en deze meters werken niet goed bij weinig licht. Om ook bij veel licht geen afwijkingen te krijgen wordt er meestal een plaatje met gaatjes voorgeschoven.Voordeel is dat de kleurgevoeligheid van de seleniumcel aardig overeenkomt met panchromatische films. Verder heeft deze meter geen batterijen nodig, en is simpel van constructie. Deze meters zijn (mits intact) ook vandaag nog goed bruikbaar als lichtgewicht alternatief tijdens foto-expedities. 3) CadmiumSulfidecel. Meestal afgekort als CdS-cel. Dit is een lichtgevoelige weerstand. Zodra er licht opvalt vermindert de weerstand. Omdat er een stroompje moet vloeien is deze meter afhankelijk van een batterij. De cel zelf kan erg klein zijn (1mm²) en is zeer gevoelig. Hierdoor wordt hij veel gebruikt voor DoorDeLens-meting, spotmeters, doka-meters, automatische sluiters etc. Er kleven echter ook nadelen aan. De kleurgevoeligheid is slecht, hij is weinig gevoelig bij teveel licht, en heeft een lichtgeheugen. Bij teveel licht kan de meting urenlang afwijkingen vertonen. Bij hogere lichtwaarden wordt er een afschermend plaatje of een grijsfilter voor de cel geschoven. 4) Siliciumcel. Deze cellen bestonden al langer als InfraRood-gevoelige cellen. Ze werden pas bruikbaar toen men in de jaren 70 een blauwgevoelige variant ontwikkelde. Siliciumcellen zijn veel gevoeliger dan CdS-cellen, werken ook zeer snel bij weinig licht, en hebben geen lichtgeheugen. Alle moderne automatische analoge of digitale camera's, flitslichtmeters enz. bevatten tegenwoordig Siliciumcellen.

    Belichtingsreeks
    Reeks dezelfde opnamen die onderling verschillen in belichting. Meestal zijn de intervallen 1/3 of ½ meer of minder stops dan de gemeten belichtingstijd. Hierdoor wordt de kans op een perfect belichtte opname groter, en kan men kleurintensiteit, belichtingsspeelruimte etc. van de film testen.

    Belichtingsspeelruimte
    Is de speelruimte die een film heeft om schaduwdetaillering te behouden zonder dat detail in de hoge lichten verloren gaat.

    Belichtingsspeelruimte(latitude)
    De hoeveelheid over- en onderbelichting die bij een bepaalde film nog een acceptabel beeld produceren. Dia films hebben meestal een werkbereik van maximaal +1 tot –1 stops. Kleurenfilm heeft een groter bereik van +3 tot –1 stops.

    Belichtingstrap
    Methode om naast een opname op de aangegeven belichtingswaarde één of meer extra opnamen te maken, die boven of onder de gemeten waarde liggen. Zie: auto-bracketing.

    Belichtingswaarde
    De belichtingstijd-diafragma combinatie die een correcte belichting oplevert. Zo'n combinatie wordt in het engels Exposure Value (EV) genoemd.

    Bestandsgrootte
    De omvang van een digitaal bestand in bytes, kilobytes (Kb) of megabytes(Mb).

    Beweegbare-panelen
    Deze zitten op groot-formaat camera’s. Voor en achterpaneel zijn zodanig gemonteerd dat men ze onafhankelijk van elkaar kan bewegen.

    Bewegingssuggestie
    Wordt verkregen door met een langere belichtingstijd te werken. Wanneer de camera stil staat en het onderwerp beweegt krijgt men een indruk van bewegend onderwerp. Als men de camera met een bewegend onderwerp meetrekt, ontstaat de indruk dat de achtergrond met grote snelheid voorbij schiet.

    Bit
    Afkorting van binary digit, binair getal. Het kleinste deel van de informatie in een digitaal bestand. De waarde is 1 of 0. Acht bits zijn één byte.

    Bitdiepte
    Het aantal bits per pixel per pixel op een monitor (kanaal), dat bepaald het aantal kleuren dat kan worden weergegeven. Een kanaal is een 'laag' van een primaire kleur, er zijn 3 lagen in RGB. Een bitdiepte van 1 bits is zwart-wit, acht bits per kanaal (256 kleuren) zijn nodig voor fotografische kwaliteit, 16 bits is beter, 24 bits zijn nodig voor 16,7 miljoen kleuren. Hoe meer bits per kanaal, hoe meer realistisch het plaatje is.

    Bitmap
    Raster zoals een digitaal bestand wordt opgeslagen, een matrix van pixels. 1 bit diepte, 2 kleuren (zwart/wit).

    Bokeh
    Het woord bokeh komt van het Japanse woord boke, wat als bo-keh uitgesproken wordt. Het betekent letterlijk onscherpte of duizeligheid. Als een afbeelding door een lens wordt geprojecteerd, zijn bepaalde gebieden onscherp. In sommige afbeeldingen wordt de achtergrond bewust onscherp gemaakt om die minder afleidend te laten zijn en om het onderwerp meer aandacht te geven. Bokeh beschrijft de subjectieve esthetische kwaliteit van die onscherpte.

    Bonenzak
    Gedroogde bonen of zaden in een kleine textiele of plastic zak. De zak kan gemakkelijk in een bepaalde vorm geduwd worden. Wanneer men dan de camera erop legt heeft men een geïmproviseerd statief.

    Bracketing
    Een serie van belichtingen maken van hetzelfde onderwerp, elke belichting iets afwijkend van de vorige.

    Brandpuntsafstand
    De optische lengte van een objectief. Een korte brandpuntsafstand heeft een brede beeldhoek en een lange afstand een smalle.

    Brandvlak
    Het deel waarop het objectief een scherp beeld vormt.

    Brightness(B)
    Ook wel Helderheid van een kleur is de hoeveelheid licht wat gereflecteerd wordt, of hoe zwart de kleur is. De helderheid wordt in procenten uitgedrukt. 100% is volledige kleur, 0% is zwart. Onderdeel van het HSB kleurenmodel.

    Byte
    Standaard maat van opslag van digitale bestanden. Een byte bestaat uit 8 bits en kan een waarde tussen 0 en 255 bevatten. 1024 bytes is een kilobyte (KB), 1024 kilobytes is een megabyte (MB) en 1024 megabytes is een gigabyte (GB).

    C-formaat
    Eén van de drie beeldformaten van APS, in Classic formaat van 3:4.

    C-41
    Procedé voor het ontwikkelen van kleurennegatieffilms.

    Camera
    Elke lichtdichte doos die een beeld van gefocust licht op een lichtgevoelig oppervlak, zoals film of een ccd- of cmos-chip, projecteert.

    Camera-obscura
    Latijn: donkere kamer. Een lichtdicht en donker gemaakt vertrek of kastje met een kleine opening waardoorheen licht valt. De lichtstralen worden op de tegenover gelegen wand geprojecteerd en geven een ondersteboven staand beeld van de werkelijkheid buiten de kamer of kast. De kleine opening werkt dus als een lens. De oude Grieken kenden dit principe al. Maar als hulpmiddel voor de beeldende kunst kwam de camera obscura pas later tijdens de renaissance in zwang.

    Camerastandpunt
    De positie van de camera.

    Cameraverstelling
    Het verstellen van de voor en/of achterwand van de technische camera. Waardoor het mogelijk wordt vorm of scherpte van de afbeelding te beïnvloeden.

    Cassette
    Lichtdichte houder voor film. Cassettes werden voor alle filmformaten gebruikt. In kleinbeeld en sub-kleinbeeld formaat voor amateurs. In midden en grootformaat voor professionals.

    Catadioptrisch-objectief
    Spiegelobjectief. Hierbij wordt met behulp van spiegels (en soms lenzen) de lichtbaan gebroken en een brandpuntsafstand kunstmatig verlengd. Daardoor kan een grote telelens behoorlijk ingekort en goedkoper geproduceerd worden. Opnamen met een catadioptrisch objectief zijn herkenbaar aan onscherpe delen van de foto die niet uit rondje vlekjes maar uit kringetje bestaan.

    Catechol
    Ontwikkelstof. Lijkt in activiteit veel op Hydroquinon. Het oxidatieproduct van deze ontwikkelaar kleurt en looit de emulsie. Dit kan resulteren in een automatische compensatie van de hoge lichten. Deze ontwikkelaar is daarom zeer geliefd in de holografie en bij zeer contrastrijke onderwerpen en nachtfotografie. (C6H4(OH)2 Moleculair gewicht 110.11. Ook genoemd : Pyrocatechol, of 1,2-benzenidol. Kleurloze kristallen. Oplosbaar in water, alcohol, benzeen en ether. Giftig en kankerverwekkend. Daarom moet contact met huid, ogen of inslikken altijd voorkomen worden. Wanneer men deze ontwikkelaar behandeld evenals huishoudbleek (Chloor), is het risico te verwaarlozen.

    CD-ROM
    Compact Disk Read Only Memory, een ronde schijf met een diameter van 4 ½ inch, waarop optische en digitale gegevens opgeslagen kunnen worden. Eén cd-rom kan meer dan 650 tot 700 MB bevatten.

    CdS
    Afkorting van Cadmium Sulfide, een lichtgevoelige chemische cel, die in lichtmeters gebruikt wordt om belichtingen te bepalen.

    Cellulose-Triacetaat
    Algemeen gebruikt als basis voor fotografische film. Voorheen "Safety Film" genoemd omdat het in tegenstelling tot Cellulose Nitraat slecht brandbaar is.

    Centraal-sluiter
    Sluiter die tussen de objectiefdelen zit en waarbij met elke sluitertijd flitssynchronisatie mogelijk is.

    Chromatische-aberratie
    Lensfout waarbij het licht van verschillende golflengten (en dus kleuren) niet op een en dezelfde plaats geprojecteerd worden.

    Clair-obscur
    Licht-donker, italiaans: Chiaroscuro, duits: Helldunkel, stijlmiddel, waarbij de contrasten tussen lichte en donkere partijen een bepaalde rol spelen. Rembrandt was een van de Nederlandse schilders die veel met deze licht contrast vorming werkte.

    Close-up-lens
    Een zwak positieve lens, die voor een objectief wordt geplaatst, om te zorgen dat op korte afstanden gefocust kan worden. Is in verschillende sterktes verkrijgbaar. Het gebruik van een dergelijke lens leidt niet tot een lichtverlies, zoals met een balg of tussenringen het geval is.

    CMYK-kleuren
    Cyaan, Magenta en Geel (engels: Yellow). Dit zijn de primaire kleuren van het subtractieve model. De kleuren ontstaan wanneer je rood, groen en blauw van wit licht aftrekt. Met andere woorden, als een object groen en blauw licht reflecteert, maar rood absorbeert (subtractief) dan lijkt het cyaan. Anders dan het additieve RGB model geeft 100% CMY een zwarte kleur en 0% CMY wit. Om echt zwart te krijgen wordt aan printers zwart toegevoegd (K - Key), en mag je spreken van het CMYK-model.

    Coating
    Opgedampte antireflectielaag meestal aangebracht op de frontlens.

    Collage
    Beeldende techniek; een aantal bij elkaar geplakte fragmenten, die tezamen een nieuw beeld oproepen. Allerlei materialen kunnen gebruikt worden. Na de eerste aanzetten bij de kubisten werd de collage vooral rond 1920 (door Dada) veel toegepast

    Coma
    Lensfout. Een lensfout die veel in de beginjaren van de fotografie voorkwam. De lichtstralen die buiten de optische as vallen worden als onscherp afgebeeld.

    Compensatie-filters
    Speciaal gekleurde filters, die worden gebruikt om een verschuiving van kleuren te voorkomen, welke plaats vindt wanneer een daglichtfilm bij kunstlicht of TL-buizen wordt gebruikt, of een kunstlichtfilm bij daglicht.

    Complementaire-kleuren
    In de fotografie zijn de kleuren geel, mangenta en cyaan de meest belangrijke. Ze zijn complementair aan blauw, rood en groen. Wanneer deze in dezelfde verhouding gemengd worden zullen ze wit licht produceren.
    Een sprekende, krachtige foto heeft over het algemeen een eenvoudige lijnvoering, een goede indeling (lees ook de tip over de gulden snede) maar vooral ook geen overbodige details. Als een foto erg veel storende details bevat wordt de aandacht van het hoofdonderwerp al snel afgeleid. Er zijn tal van mogelijkheden om storende details te vermijden. Denk daarbij aan het gebruik van een geringe scherptediepte, het juiste perspectief (laat bijvoorbeeld geen boom uit het hoofd van een gefotografeerd persoon groeien) en misschien wel de belangrijkste tip: benader je onderwerp! Door dichterbij te komen vermijd je veel onnodige details en wordt je hoofdonderwerp intenser weergegeven. Soms is het een drempel om bijvoorbeeld als enige voor aan het podium te staan bij een concert, het levert wel de beste plaatjes op!
    Een proces waarbij een digitaal bestand kleiner wordt gemaakt om mindeer ruimte in te nemen, of minder bandbreedte. Compressie is:
    1. Lossy. Gedeelten van het origineel worden verwijderd, bijv. JPEG en GIF
    2. Lossless. De integriteit van het bestand blijft intact, bijv. TIFF.

    Condensor
    Eenvoudig lenzensysteem dat het licht bundelt. Wordt veel in vergroters en projectors gebruikt om te zorgen dat de lichtstralen evenwijdig op het negatief of de dia vallen.

    Contactafdrukken
    Positieve, niet vergrote negatieven die op een speciaal vel worden afgedrukt. De fotograaf kan hiermee bepalen welke opnamen vergroot worden.

    Contrast
    Verschillen in helderheid tussen de donkerste en lichtste delen van een beeld of het onderwerp.

    Contrastomvang
    Het verschil in helderheid van donker naar licht dat door film of papier kan worden afgebeeld. Meestal gemeten in een verhouding of aantal stops.
    Het verschil in helderheid tussen de helderste en donkerste gedeelten van een beeld. De mate waarin deze verschillen zijn vast te leggen op een drager (fotokopie, foto, film, videotape enz.) geeft de zgn. 'contrastomvang' aan van het betreffende medium. De contrastomvang van video wordt op het ogenblik nog overtroffen door die van film. Hierdoor zal de video kopie van een film in de contrast weergave ook sterk achterblijven bij het origineel. Het menselijk oog kan van 0.01 lux tot 100.000 lux zien. Wel niet alles te gelijk. m.i. max een factor 1000. Dat betekent dat als er in zichtveld bij 0 lux (dit is al goed donker) een lamp te zien is die een punt vormt met een lichtsterkte van 1000 lx dat je dan niets meer ziet buiten het lichtpunt. Onder klare blauwe hemel in de Sahara is het mogelijk dat het zand een lichtsterkte heeft van 100'000 lux, als er daar in het kijkveld iets overschaduwd is en maar een lichtsterkte heeft van 100 lux dan zul je dat zwart zien. Hoe wordt dat allemaal gemeten? Gerelateerde vraag: wat is de definitie van 1 lux; heeft het te maken met de hoeveelheid licht binnen een bepaald gezichtsveld? Vanaf gemiddeld 0 lux zal men alles zwart/wit zien. Wilt dat zeggen dat die schaal verder loopt in de negatieven? Zou die havik vb. net naast de volle maan nog met gemak een sterretje van magnitude 6.0 kunnen zien? Of zou die overdag sterren kunnen zien? En die moet met een kijker dan ook een pak meer dubbelsterren kunnen zien waarvan de componenten sterk verschillende magnitudes hebben . Volgens mij is dat eerder een kwestie van dingen uitvergroot zien. Wij mensen kunnen in principe die contrastomvang ook wel aan, ware het niet dat het heldere object het zwakke overstraalt, door de lucht en vooral in ons oog. Sterren naast de volle maan zijn namelijk makkelijker zichtbaar als je de maan bedekt zoals iedereen waarschijnlijk wel weet. Ik denk dat het heel moeilijk is onze ogen te vergelijken met CCD camera's. Ze zien beide op een heel andere manier. Onze ogen passen zich aan het intensiteitsniveau (verandering van pupildiameter, kegeltjes en staafjes, ...), een CCD niet (tenzij men met de belichtingstijd speelt). Maar een CCD ziet lineair, onze ogen eerder logaritmisch (wet van Pogson).

    Convergentie
    De (visuele) vertekening waarbij parallelle lijnen naar elkaar toe lijken te lopen.

    Convergerende-lens
    Ook wel convexe lens genoemd. Concentreert de lichtstralen naar een bepaald punt.

    Coulissen
    Zijstukken van een schilderkunstig of toneeldecor: elementen aan de zijkanten, die een decorwerking hebben

    CPU
    Centrale verwerkings eenheid. Onderdel van het elektronisch systeem van een automatische camera dat de belichting, autofocus en/of andere functies regelt.

    CRC
    Close Range Correction, afkorting van Nikon voor floating elements, zwevende elementen waarin iedere groep onafhankelijk beweegt om de scherpstelling tot stand te brengen. Met name toegepast in fisheye, groothoek en macrolenzen

    Cross-processing
    Een diafilm (E-6) laten ontwikkelen als een negatief (C-41) en andersom, om onverwachte en ongebruikelijke effecten te verkrijgen.

    Cyaan
    Blauwgroen licht, de complementaire kleur van rood. Maakt onderdeel uit van de beschrijving van het grafische op licht gebaseerde CMYK model, dit in tegenstelling tot op inkt gebaseerde RGB model.

    D
    (Distance) afkorting voor AF-objectieven van Minolta en Nikon. Deze objectieven gebruiken ook de afstand tot het onderwerp in de berekeningen voor een afgewogen belichtingsmeting.

    D-max
    De maximum dichtheid of wel de donkerste toon die een foto kan bevatten of een scanner kan bepalen.

    D-min
    De minimum dichtheid, de helderste tint die door een foto of een scanner kan worden vastgelegd.

    Dada
    Confronterende, antiburgerlijke stroming die tijdens de Eerste Wereldoorlog ontstond, met een sterk anti-kunst-gehalte. Belangrijke beeldende vormen waren de happening en de collage: typerend is ook het absurdisme. Dada ging vooraf aan (en legde de basis voor) het surrealisme.

    Daglichtfilm
    Kleurenfilm voor gebruik bij daglicht. 5500 Kelvin is de gemiddelde kleurtemperatuur van direct zonlicht om twaalf uur 's middags in Washington DC.

    DC
    (Defocus-image Control). Een aanduiding van Nikon voor een methode om de sferische aberratie in de voor- en achtergrond te beheersen. Door aan een ring van het objectief te draaien wordt naar keuze de voor- of achtergrond onscherp.

    DDL
    (Door De Lens) Lichtmeting waarbij het licht pas in de camera gemeten wordt, nadat het door de lens binnengekomen is. Het voordeel van dit systeem is dat de lichtvermindering door de lenzen van het objectief en/of filters meegerekend wordt.

    Dedicated-flash
    Flitser voor specifieke cameramodellen. Deze flitsers zijn volledig geïntegreert in de schakelingen van de camera. Zijn lichtstoot wordt automatisch door de camera onderbroken zodra de juiste belichting is bereikt.

    Densiteit
    Licht-ondoorlaatbaarheid van een fotografische emulsie. Het zilver in de ontwikkelde emulsie houdt het licht tegen. Hoe meer zilver er in de emulsie aanwezig is, hoe hoger de densiteit.

    Densitometer
    Instrument dat gebruikt wordt voor nauwkeurige meting van de Densiteit. Densitometers bestaan er voor transparante films (doorzicht densitometer) en voor papier (opzicht densitometer).

    Detailweergave
    Bepalend voor de combinatie korreligheid en scherpteweergave.

    Diafilm
    Film die direct een positief beeld geeft. In het chemische proces wordt het niet belichtte zilverzout behouden, en het belichtte zilverzout verwijderd uit de film.

    Diafragma
    Object waarmee de hoeveelheid licht wordt begrensd. In de simpelste vorm is dit een plaatje met een gat erin welke vlak voor, achter of tussen de lenzen van het objectief wordt geplaatst. Hoe groter de opening hoe meer licht er doorheen kan vallen. Moderne diafragma's bestaan uit verschuifbare lamellen die het gat groter of kleiner kunnen maken. Het diafragma heeft ook invloed op de scherpte-indruk van de foto. Een kleiner gaatje geeft scherpte over een langere afstand.

    Diafragma-opening
    De maat van het diafragma-gat. Dit wordt gemeten in diafragmagetallen (f-getal of "stop"). Een groot gat bestrijkt bijvoorbeeld 1/2 van de oppervlakte van het objectief. Dit wordt diafragma 2 genoemd. Een gat wat slechts 1/22e groot is heet diafragma 22. Hoe hoger dus het getal, hoe kleiner het gaatje.

    Diafragma-voorkeuze
    Een belichtingsoptie waarmee het diafragma wordt ingesteld afhankelijk van de gewenste scherptediepte. De camera stelt daarna automatisch de geschikte sluitertijd in.

    Diafragmeren
    Verkleinen van de diafragmaopening door een hoger f-getal in te stellen. Hierdoor wordt minder licht doorgelaten. De scherptediepte wordt vergroot.

    Diagonaal
    Lijn in het beeld die noch horizontaal noch vertikaal is.

    Diapositief
    Transparant positief beeld.

    Dicht
    Aanduiding voor een overbelicht negatief of een onderbelicht positief.

    Diffractie
    Verstrooiing van lichtgolven wanneer deze een ondoorzichtig oppervlak raken.

    Diffuser
    Kapje of bolletje op lichtmeter voor opvallend-lichtmeten.

    Diffusor
    Materiaal dat voor de lichtbron (flitser of fotolamp) wordt geplaatst om het licht zachter te maken. Een simpele diffusor is bijvoorbeeld een glasgordijn of Calque-papier.

    DIN
    Deutsche Industrie Norm. Duitse aanduiding voor de filmgevoeligheid. Omdat men van logaritmische metingen uitging werd een verdubbeling van de filmgevoeligheid aangegeven door het gevoeligheidsgetal met 3 te verhogen. Een 100 ASA film was 21 DIN. Een 200 ASA film werd dan 24 DIN. Deze norm is inmiddels internationaal vervangen door de ISO-norm waarin de Duitse DIN-standaard en de Amerikaanse ASA-standaard gecombineerd worden in : 100/21 ISO.

    Dioptrie
    Eenheid waarbij het brekingsvermogen van een lens wordt uitgedrukt. Convexe lenzen in positieve dioptrie. Concave lens in negatieve dioptrie. Veel mensen kennen deze aanduiding van brillen. In de fotografie wordt ze gebruikt bij voorzetlenzen voor close-up fotografie.

    Dioptrie-correctie
    Veel mensen die een bril dragen kunnen moeilijk scherp stellen op het matglas van de camera. Daarom hebben professionele camera's een mogelijkheid in de beeldzoeker, om de optiek aan te passen aan de oogafwijking van de brildrager.

    Direct-klaarfilm
    De ontwikkeling begint zodra de opname gemaakt is en uit de camera wordt gehaald. Meestal bekend onder de naam Polaroid. Maar ook andere merken (Fuji) maken deze films.

    Directe-lichtmeting
    Algemene term voor de lichtmeting waarbij het licht wat door een object teruggekaatst wordt gemeten wordt.

    Divergerende-lens
    Lens die de lichtstralen vanuit de optische as naar buiten afbuigt.

    DO
    (Diffractive Optical Element) Afkorting van Canon voor een gecombineerde asferische en fluorietlens voor de kleurcorrectie en een compacte bouw van de lens, met name voor super-teleobjectieven als de 400mm DO IS USM.

    DOF
    Depth of Field, zie: scherptediepte.
    (DOF: Depth Of Field) is het gebied in een foto dat scherp oogt. Bij een grote scherptediepte is een foto vanaf de voorgrond tot de horizon scherp. De scherptediepte strekt zich uit van /13 voor het scherpstelpunt tot 2/3 erachter. Drie factoren bepalen de scherptediepte: Diafragma, Brandpuntsafstand lens, Voorwerpsafstand

  • scherptediepte

    Donkere-Kamer
    (Meestal afgekort tot "Doka") Geheel verduisterd fotografisch laboratorium waarin lichtgevoelig fotografisch materiaal verwerkt kan worden. Ook in het digitale tijdperk gebruiken veel amateur en beroepsfotografen nog een doka om films te ontwikkelen en op fotografisch papier af te drukken. Afhankelijk van budget, plaats en doelstelling bestaan er veel soorten doka's. Van tijdelijke simpele en goedkope doka's tot zeer uitgebreide professionele permanente doka's.

    Doordrukken
    Techniek uit de donkere kamer waarbij een deel van het beeld tijdens het afdrukken onder de vergroter meer belichting krijgt. Dat leidt tot een verdonkering van het beeld op de plaats waar het fotopapier meer licht heeft gekregen.

    dpi
    Dots per inch. Het aantal puntjes per inch waaruit een digitaal beeld is opgebouwd. Het bepaalt de resolutie van een afdruk, printer, monitor of scanner. Hoe hoger het aantal dpi, hoe beter de kwaliteit van de afdruk of het beeld, maar ook: hoe groter het bestand.

    Draadontspanner
    Flexibele kabel waarmee de sluiter ontspannen kan worden. Bij de moderne camera's gebeurt dit middels een elektronische aansluitkabel. Bij beiden is het mogelijk om met een B-instelling lange tijden te belichten.

    Drager
    Ondersteunende laag voor een fotografische emulsie. Bij film is het doorzichtig acetaat. Bij afdruk papier, waarbij het papierwit de ondergrond van de foto vormt.

    Dun
    Aanduiding voor een overbelicht positief of een onderbelicht negatief.

    DX-code
    Afkorting van Data eXchange. De DX-code is de combinatie van zilveren en zwarte blokken op de zijkant van een kleinbeeld filmrolletje. Hiermee kan de camera automatisch de filmgevoeligheid aflezen.

    E-6
    Ontwikkelprocedé voor kleurenomkeer(dia)films.

    Eastman-George
    Amerikaanse uitvinder en oprichter van de KODAK EASTMAN COMPANY, de grootste producent van fotografische materialen ter wereld. In 1880 produceerde hij de eerste droge platen in Rochester (NewYork). Hij maakte de eerste rolfilms op papier en op celluloid basis. Om de fotografie voor het grote publiek toegankelijk te maken vond hij de Kodak Boxcamera uit. ("U druk t op de knop, Wij doen de rest"). Dit was een wereldwijd succes. In 1932 pleegde hij op 78 jarige leeftijd zelfmoord. In zijn afscheidsbrief schreef hij : "Mijn werk is gedaan. Waar wacht ik nog op?" Tijdens zijn leven was George Eastman een groot filantroop. Hij liet zijn werknemers delen in de winst, voerde verzekeringen en pensioen in toen nog niemand dat deed, en steunde veel menslievende projecten.

    ED/ELD
    (Extra (Low) Dispersion) Glas met een bijzonder lage brekingsindex, met name toegepast in APO-teleobjectieven om kleurverschuivingen te verkomen, die ontstaan door verschil in breking van langere en kortere golflengten licht.

    Edele-Procédés
    Verzamelnaam voor oudere fotografische processen zoals gomdruk, pigmentdruk, broomoliedruk, carbodruk, enz.

    EDTA
    Ethyleen Diamine Tetra Azijnzuur.

    Eenoogige-spiegelreflexcamera
    Camera waarbij men d.m.v. spiegels rechtstreeks door het objectief kijkt. Hierdoor ziet men exact het beeld wat op de film valt.

    Eenpootstatief
    Eenbeenstatief. Een statief wat slechts uit een poot bestaat. Deze statieven worden vooral gebruikt in de sport- en dierenfotografie, omdat men er snel mee kan bewegen terwijl de camera toch stevig op de grond staat.

    EF
    Canon omschrijving voor een autofocus objectief

    Effectieve-Gevoeligheid
    Praktische gevoeligheid van fotografische film. De effectieve gevoeligheid ligt vaak tot 50% lager dan de gevoeligheid zoals die door de producent aangegeven wordt. Dit komt omdat het objectief, de belichting en de ontwikkelchemicaliën een invloed op de gevoeligheid van de film hebben.

    Effectlicht
    Verlichtingstechniek voor speciale lichteffecten. Door in de portretfotografie bijvoorbeeld een lamp op het achterhoofd van het model te richten wordt een stralenkranseffect gecreëerd.

    Elektronenflitser
    Kunstlichtbron met een kleurbalans van ongeveer 5500 K.

    Emulsie
    Deze term voor de lichtgevoelige laag van een film is fout, omdat een emulsie een mengsel van twee vloeistoffen is die niet met elkaar mengen. Bijvoorbeeld mayonaise of een mengsel van olie in water. De lichtgevoelige laag van een film is in werkelijkheid een suspensie omdat de kristallen van zilverzout (een vaste stof) ingebed zijn in een laagje gelatine. toch wordt de term Emulsie algemeen gebruikt voor de lichtgevoelige laag van fotografische producten.

    EV
    Afkorting van Exposure Value, engelse term voor lichtwaarde.

    EX
    Sigma omschrijving van objectieven met bijzonder hoogwaardige coating.

    Expressionisme
    Stroming die rond 1905 overal in Europa ontstaat en waarbij de persoonlijke, directe uitdrukking (expressie) van emoties centraal staat. Als beeldende middelen zijn vooral karakteristiek: een voorkeur voor felle, primaire kleuren, een zekere mate van deformatie of overdrijving van de waargenomen werkelijkheid en een persoonlijke, gedreven verhandeling: het picturale ’gebaar’.

    F-getal
    Een schaal van getallen die de grootte van het diafragma aangeven, bijvoorbeeld f2.8, f4, f5.6, f8 etc. Een aantal stapjes van een diafragma getal naar een andere wordt ook wel stops genoemd. Het getal is afgeleid van de lensopening. Hoe groter het f-getal, hoe kleiner de opening en hoe minder licht er op de film valt. Zie ook: scherptediepte, diafragma.

    FA
    Zo heten de Pentax autofocus objectieven.

    Factor
    Het aantal keren dat een belichting aangepast moet worden bij het gebruik van een filter. Bij een x2 filter moet 1 stops langer belicht worden, bij een x4 filter 2 stops

    Figuratief
    Herkenbare voorstelling, met ’figuratie’. Tegendeel van abstract

    Film
    Het lichtgevoelige medium op een transparante basis met daarover een lichtgevoelige emulsie.

    Filmsnelheid
    De gevoeligheid van de film, uitgedrukt in ISO of ASA. Een 50/18 ISO film is vrij ‘langzaam’ en zal in dezelfde lichtsituatie langer belicht moeten worden dan een ‘snelle’ 400/24 ISO-film.

    Filmvlak
    De plaats van de film in de camera. Hierop wordt scherp gesteld. Bij oudere typen camera's wordt het filmvlak op het camerahuis aangegeven door een rondje met een dwarsbalkje. Met deze aanduiding kan men precies de afstand tussen filmvlak en andere cameraonderdelen of opnameobjecten meten.

    Filter
    Een stuk glas, gelatine of plastic dat voor de lens wordt gezet om het licht dat in de lens valt te veranderen.

    Filterfactor
    Tijdsfactor die aangeeft waarmee de belichtingstijd moet worden vermenigvuldigd om het verlies aan licht door het gebruik van een filter te compenseren.

    FireWire
    Een beschermde naam van Macintosh voor de standaard IEEE1394 is een snelle overdracht van gegevens naar de computer (maximaal 400 Mbps).

    Fisheye
    Objectief met een beeldhoek van 180º. Wanneer men deze lens horizontaal legt, kan men dus volledig in het rond fotograferen. Er ontstaat dan een perspectivisch zwaar vervormd beeld. De zogenaamde diagonaal-fisheye levert een volledig beeld. De circulaire-fisheye levert een beeld van ongeveer 20mm doorsnede met zwarte omranding.

    Fixeren
    Het ongevoelig maken voor verdere belichting van film of fotopapier, door het verwijderen van niet-belichte zilverhalogenidekristallen.

    Fixfocus
    Een camera waarop de scherpte-afstand niet instelbaar is. Toegepast bij goedkope modellen en pinhole fotografie.

    Flitsaansluiting
    De mogelijkheid om met een kabel een externe flitser direct op de camera aan te sluiten.

    Flitslicht
    Licht wat elektronisch opgewekt wordt door de plotselinge ontlading van een condensator. Flitslicht is van hoge intensiteit, van korte duur en heeft een kleur die op daglicht lijkt..

    Flitssynchronisatie
    De juiste sluitersnelheid die synchroniseert met de flitser. De sluiter moet namelijk volledig open zijn voordat de flitser af mag gaan. Is dat niet het geval, dan wordt een deel van de foto zwart. Afhankelijk van de gebruikte camera zijn synchronisatiesnelheden mogelijk van 1/30 sec, 1/60 sec, 1/90 sec, 1/125 sec of 1/250 sec. De flitser synchroniseert wel met langere sluitersnelheden, maar niet met kortere.

    Floating-elements
    Verschuifbare lenzen binnenin het objectief, om de beeldkwaliteit van objectieven te verbeteren.

    Fond
    Achtergrond of ondergrond van een voorstelling of van een abstracte compositie

    Forceren
    Het langer ontwikkelen van film om het contrast te verhogen. Hierdoor wordt onderbelichte film toch nog redelijk af te drukken, of worden kleuren verzadigder.

    Foto-elektrische-cel
    Lichtgevoelige cel gebruikt om de belichting te meten. Er zijn meerdere soorten in gebruik. Sommigen produceren elektrische stroom wanneer ze aan het licht worden bloot gesteld. Anderen verhoging hun weerstand wanneer er licht op valt.

    Fotogram
    Beeld gemaakt zonder camera. Door het rechtstreeks plaatsen van onderwerpen op lichtgevoelige emulsie ontstaat er een negatief schaduwbeeld.

    Fotojournalistiek
    Fotoverhaal met (actuele) nieuwswaarde.

    Fresco
    Italiaans: al fresco = "in het verse". Techniek uit de muurschilderkunst, waarbij met in water opgeloste pigmenten geschilderd wordt op de nog natte kalkpleister.

    Fresnellens
    Een platte met concentrische ringen geribbelde glasplaat die werkt als een lens. Deze lenzen worden in de fotografie vooral gebruikt om het licht gelijkmatiger over het matglas van de camera te verdelen. Mega-groot uitgevoerd in vuurtorens.

    Futurisme
    Van oorsprong Italiaanse stroming aan het begin van deze eeuw, die in de kunstwerken iets zichtbaar wilde maken van energie en dynamiek van de moderne tijd, en dus o.m. de machine, de stad en de massaliteit verheerlijkte. In de beeldend kunst probeerde men vaak beweging en vaart uit te drukken.

    G
    Minolta aanduiding voor zeer lichtsterke objectieven, te herkennen aan een gouden ring aan de voorkant van het objectief.

    Gaatjescamera
    Pinhole camera. Eenvoudigste model camera bestaande uit lichtdichte box met een klein gaatje op de plaats waar een lens zou moeten zitten. Het resultaat zijn opnamen die een oneindige scherptediepte hebben. Nadeel is dat de foto's nooit helemaal scherp worden. Met verschillende vormen lichtdichte box kunnen zeer creatieve resultaten verkregen worden.

    Gamma
    Het contrast van het gebied met middentonen in een digitaal bestand.

    Gamut
    Het bereik van kleuren of tinten wat kan worden geprint of getoond. Wanneer van verschillende kleurmodellen wordt overgeschakeld, bijv. van RGB naar CMYK, kan het zijn dat een bepaalde kleur in RGB niet kan worden getoond in CMYK. Een zgn. gamut-fout treedt op.

    Gebogen-ondergrond
    Studioachtergrond om een horizon en/of schaduwen te voorkomen.

    Geïndexeerde-kleur:
    In een digitaal bestand 8 bitdiepte, 256 kleuren (256 is 2 tot de 8-ste macht).

    Genrestuk
    Voorstelling met een tafereel uit het dagelijkse leven

    Geometrisch-abstract
    Zonder herkenbare voorstelling en in strakke meetkundige vormen gehouden.

    Gereflecteerde-lichtmeting
    Meting met een lichtmeter van de hoeveelheid licht die een onderwerp reflecteert.

    Glycine
    Ontwikkelstof. Lage ontwikkel activiteit, en wordt daarom meestal in combinatie met andere ontwikkelstoffen gebruikt als fijnkorrelontwikkelaar. HOC6H4NHCH2COOH, para-(hydroxyphenyl)glycine, ook wel genoemd para-hydroxyphenylaminoacetisch zuur. Moleculair gewicht 167.16. Slecht oplosbaar in water, aceton, alcohol of ether. Oplosbaar in basische oplossingen, waardoor het meestal wordt opgelost na Natriumsulfiet. Oxideert niet en is daarom lang houdbaar.

    Gordijnsluiter
    Sluitervlak, bevindt zich direct voor de film en bestaat uit twee bewegende schermpjes die voor de film langs schuiven. De variabele spleet tussen de twee schermpjes bepaalt de tijd waarin er licht op de film kan vallen..

    Gravure
    Afdruk van een gegraveerde houten of metalen plaat.

    Grijsfilter
    Vertragingsfilter gebruikt om de lichthoeveelheid te verminderen, zonder de kleurbalans van de opname te verstoren. Vooral nuttig wanneer, bij helder weer, niet verder kan worden gediafragmeerd.

    Grijskaart
    Een kaart die zo is getint dat het 18% van het licht dat erop valt reflecteert. Dit is de standaard waarde waarop lichtmeters zijn ingesteld en de kaart kan gebruikt worden in situaties die erg licht of donker zijn.

    Grijstrap
    Filmstrook of fotopapier waarbij meerdere stappen van toenemend donker grijs staan. Vaak worden grijstrappen gebruikt om de juiste belichting te bepalen, of de eigenschappen van film of papier densitometrisch door te meten.

    Grijswaarden
    In een digitaal bestand 8 bitdiepte, 256 kleuren (256 is 2 tot de 8-ste macht).

    Grondlicht
    Studiolicht vanuit laag standpunt.

    Grootformaatcamera
    Camera met beeldformaat van 9x12 cm of groter. Meestal zijn grootformaat camera's Technische Camera's waarbij perspectief en scherptevlak gemanipuleerd kunnen worden.

    Groothoeklens
    Een lens met een kleine brandpuntsafstand. Deze lenzen geven meer ruimte op de foto weer dan het menselijk oog gewend is. In kleinbeeld zijn groothoeklenzen bijvoorbeeld 20, 24, 28 of 35 mm.

    H-formaat
    Eén van de drie beeldformaten van APS, afkorting van HDTV genoemd naar de verhoudingen van Hoge Defintie Televisie (16:9). Het gebruikt het hele opnameoppervlak.

    Haagse-School
    Groep kunstenaars in de tweede helft van de 19de eeuw, van wie velen gedurende een tijd in en rond Den Haag verbleven. Terugkerende thema’s in naturalistische schilderijen zijn met name de natuur en het boeren- en vissersleven.

    Halogeenlamp
    Laagvoltage lamp met een hoger rendement dan de gloeilamp. De meeste diffusievergroters gebruiken halogeenlampen.

    Halve-voorzetlens
    Voorzetlens die gedeeltelijk het objectief afdekt. Door de correctie van de lens zijn zowel voor als achtergrond tegelijk scherp weer te geven.

    Handmatige-belichting
    Een optie op de camera waarbij de fotograaf zowel de sluitertijd als het diafragma handmatig instelt. De juiste belichting wordt daarbij afgelezen van een niet gekoppelde of een externe lichtmeter.

    HDR-kort
    HDR = High Dynamic Range. Met HDR krijg je een groot dynamisch bereik dat monitoren, jpg enz niet kunnen weergeven. En daarom moeten we dus nog tonemaping gebruiken om het geheel weer zichtbaar te maken.

    Helderheid
    Ook wel Brightness (B) van een kleur is de hoeveelheid licht wat gereflecteerd wordt, of hoe zwart de kleur is. De helderheid wordt in procenten uitgedrukt. 100% is volledige kleur, 0% is zwart. Onderdeel van het HSB kleurenmodel.

    Helderheidsomvang
    Toonwaardenbereik van licht naar donker. Meestal gemeten in verhouding of stops.

    Herladingstijd
    Tijd tussen twee flitslichtstoten die nodig is om de condensator van de flitser weer op te laden.

    High-key
    Foto’s die grotendeels uit lichte tinten bestaan.

    Hoek-van-inval
    De (loodlijn van de) hoek die een lichtval vormt wanneer deze gereflecteerd wordt.

    Hoek-van-terugkaatsing
    De (loodlijn van de) hoek van terugkaatsing is gelijk aan de hoek van inval.

    Hoge-kleuren
    In een digitaal bestand 16 bitdiepte, 65 duizend kleuren (2 tot de 16-de macht).

    Hoge-lichten
    Helderste delen van een beeld.

    Hoofdas
    Middellijn door kromming van de lens.

    Hoofdlicht
    Voornaamste lichtbron (in bijvoorbeeld een studio-opstelling.)

    Hot-shoe
    Een aansluiting op het camerahuis waarin de voet van een flitser past.

    HSB-kleuren
    Kleur wordt door vier termen beschreven: tint, verzadiging, helderheid en contrast. Er zijn meerdere manieren om een kleur te beschrijven, één ervan is HSB, wat staat voor hue-saturation-brightness.

    HSM
    Hyper Sonic Motor. Sigma benaming van een ultrasone motor, die ’lopende golven’ om zet in draaiende energie om het objectief scherp te stellen. Dit maakt een razendsnelle nauwkeurige autofocus mogelijk.

    Hue(H)
    Ook wel Tint, refereert aan de kleur van het licht en staat los van hoe donker of licht het is. Een Tint van 0 graden is Rood, 60 graden geel, 120 graden groen, 180 graden cyaan, 240 graden blauw en 300 graden magenta. Onderdeel van het kleurmodel HSB.

    Hydroquinon
    Ontwikkelstof. In sterk basische oplossingen geeft Hydroquinon een contrastrijk beeld. Wordt meestal gebruikt in combinatie met Metol of Phenidon. Dan werken de ontwikkelstoffen als wederzijdse catalysator, en zorgt hydroquinon voor goede doortekening in de schaduwpartijen. Bij temperaturen hoger dan 22'C werkt Hydroquinon in semi-nevellerende ontwikkelaars (ID11, D76) sterker dan Metol, en worden negatieven contrastrijker dan de bedoeling is. C6H4-1,4(OH2)Witte of witachtige kristallen, of wit poeder. Moleculair gewicht 110.11. Ook wel quinol of 1,4-benzenediol genaamd. Oplosbaar in water, alcohol en ether. Beter oplosbaar in warm water. Oxideert als poeder en in oplossing. Kan oogbeschadiging of dermatitis veroorzaken.

    Hyperfocale-afstand
    De ideale scherpstel afstand waarbij een zo groot mogelijke scherptediepte bij een bepaald diafragma bereikt wordt.

    Hypo
    Hypo is een afkorting voor Natriumthiosulfaat of Amoniumthiosulfaat, meer bekend onder de naam "Fixeer".

    Iconografie
    Grieks: beeldbeschrijving, kunsthistorische wetenschap, die onderzoekt wat een kunstwerk voorstelt en dit beschrijft. Een vervolg hierop is de iconologie (Grieks: beeldverklaring), die onderzoekt wat de betekenis is van het kunstwerk, waarom het op die manier is uitgebeeld, welke bronnen gebruikt zijn en hoe het kunstwerk vanuit een sociale en cultuurhistorische achtergrond "gelezen" moet worden. Soms worden beide termen door elkaar gebruikt

    Idealisme
    Voorstelling waarbij de ideeën in hogere, volmaakte vormen van het aardse, als inspirerende kracht gelden (tegenovergestelde van naturalisme)

    IF
    (Internal Focusing) de lens stelt scherp zonder van afmeting te veranderen. Het scherpstellen gebeurt dor de verplaatsing van een enkele lensgroep binnenin het objectief.

    Illusionisme
    Het vermogen in het platte vlak een illusie van diepte op te roepen, zoals de schilderkunst in West-Europa vanaf de late veertiende eeuw in toenemende mate deed. Het sterkst was het illusionisme bij schilders waar de stofuitdrukking en lichtwerking bedrieglijk echt lijken.

    Impressionisme
    Richting die in de tweede helft van de 19de eeuw in Frankrijk opkwam en daar zijn naam kreeg. Kenmerkend is de behoefte een kort ogenblik, een bepaalde stemming of sfeer weer te geven. Het accent ligt op de indruk en de kleur die bepaald worden door licht en lucht. Om dit te bereiken brengt de schilder toetsen verf aan, die visueel samensmelten.

    Indirect-flitsen
    Verstrooiing van flitslicht door een reflecterend oppervlak. Bijvoorbeeld via het plafond of muur.

    Infrarood
    Elektromagnetische straling van 730 nanometer tot 1 mm met een langere golflengte dan het zichtbare licht. Het wordt o.a. door warme onderwerpen uitgestraald. Infrarood licht wordt in de fotografie gebruikt voor surreële effecten, of voor het registreren van voor het oog onzichtbare eigenschappen (bijvoorbeeld om zieke bomen in een bos op te sporen).

    Infraroodfotografie
    Fotografie met infraroodgevoelige film een zwart-wit of kleur. Infrarood fotografie wordt gebruikt wetenschappelijke doelen. Bijvoorbeeld voor het registreren van voor het oog onzichtbare eigenschappen (bijvoorbeeld om zieke bomen in een bos op te sporen). Infrarood fotografie wordt eveneens gebruikt voor creatieve doelen, onze surreële afbeeldingen te maken.

    Installatie
    Driedimensionaal kunstwerk, vaak eenmalig en speciaal voor een bepaalde ruimte in een museum of galerie gemaakt. De onderdelen kunnen eventueel worden opgeslagen en later in een andere ruimte opnieuw samengesteld. De installatie sluit eerder aan bij de tradities van de beeldhouwkunst dan bij die van de schilderkunst. En een nieuwe trend binnen de fotografie, die steeds meer zijn weg vindt binnen de fotografisch beeldende kunst.

    Instelmogelijkheden
    Duurdere modellen bieden de meeste instelmogelijkheden. Met de goedkoopste instapper is het doorgaans klikken en op een goed
    resultaat hopen. Duurdere modellen bieden behalve zoommogelijkheden opties als rode-ogenreductie en voorkeureninstellingen
    (zoals voor landschap, portret en kaarslicht). Een belangrijke beperking bij veel digitale camera’s is de afdrukvertraging:
    de tijd tussen het drukken op de knop en het werkelijk maken van de foto. Spannende momenten kunnen dan nét voorbij zijn en
    niet op de foto staan.

    Instellicht
    Continu brandende lamp bij studioflitsers. Geeft de mogelijkheid om de werking van schaduwen te beoordelen.

    Integraalmeting
    Integraalmeting met nadruk op het centrum
    Dit is een standaard lichtmeting bij camera's met DDL-lichtmeting. Hierbij ligt het accent van de meting op het midden van het beeld.

    Interpolatie
    Het vergroten van de resolutie van een digitaal bestand. Een grafisch programma maakt extra pixels aan die de oorspronkelijke pixels aanvullen.

    Invullicht/invulflits
    Het toevoegen van licht aan schaduwpartijen om het contrast van een foto te verminderen. Het kan door een afzonderlijk licht rechtstreeks op een gebied te richten of door met een reflector licht te richten op een schaduwgebied.

    Inwendige-reflectie
    Niet beeldvormend licht dat door lensoppervlakken binnenin een objectief wordt gereflecteerd en de beeldkwaliteit aantast.

    IRF
    (Internal Rear Focus) Tokina aanduiding, dat alleen de achterste groep van een lens beweegt om scherpstelling te sturen, een aparte vorm van IF

    IS
    (Image Stabilizer) Optisch-electronische beeldstabilisator, bewegingssensoren nemen bewegingen van het objectief waar en bewegen een lenzensysteem tegengesteld, zodat een lichtstraal niet van richting wordt verandert. Het is mogelijk bij los uit de hand fotograferen twee sluitertijden langer de lens open te houden voordat beweging op de foto optreedt

    ISO
    (International Organisation for Standardization) De internationaal gebruikte maatstaf om de snelheid of gevoeligheid van een film, CCD of CMOS aan te duiden. (De afkorting zou eigenlijk IOS moeten zijn.) De ISO-waarde is een maatstaf voor de lichtgevoeligheid van de film - of in het geval van een digitale camera, de lichtgevoeligheidsinstelling van de CCD. Hoe hoger de ISO-waarde, des te lichtgevoeliger is je film of CCD, en des te minder licht heeft ie dus nodig om een goed beeld te produceren bij gelijkblijvende sluitertijd en diafragma. Je hebt dus drie knoppen waaraan je kunt draaien als het gaat om het belichten van je foto: de sluitertijd (hoe lang belicht ik mijn foto), de lensopening of diafragma (de grootte van het gat in je lens, of hoeveel licht laat ik erbij komen) en de ISO-waarde. Of die knoppen ook allemaal afzonderlijk op je camera zitten is overigens zeer de vraag. Bij een Canon 10d of een Nikon D100 zitten ze er allemaal op, maar bij de meeste digicompacten worden die instellingen automatisch aangepast, en daar valt vaak niks meer met het handje aan te doen. Wat droge materie: ISO100 = 100 asa = 21 DIN. ISO 100 is een normale, niet al te gevoelige waarde, waarmee je buiten goed uit de voeten kunt: op een zomerdag bij een sluitertijd van 1/125 geeft een ISO100 film diafragma f16 bij volle zon, f5.6 in de schaduw of bij bewolking, en nog twee stops speelruimte ertussenin (f11 en f8). Met die waarden kan je niet al teveel fout doen; als je er met een ISO100 film een stopje naast zit, kan dat bij het afdrukken nog wel gefikst worden.
    ISO200 is tweemaal zo gevoelig als ISO100, en kan dus met de helft van het licht toe. Dat staat gelijk aan 24 DIN, dus de DIN-schaal (raakt in onbruik) is geen rekenkundige reeks. Vergeet die verder ook maar. Als je ISO onthoudt (wat hetzelfde is als ASA) weet je genoeg. Ik zal jullie niet vermoeien met film-emulsies, D-Log-curves, belichttingsspeelruimte, de "schouder" van de film in de schaduwen, de contrastomvang in stoppen en wat dies meer zij... maar ik stel wel vast dat, hoe gevoeliger de film, des te grover is de korrel. Bij digitaal betalen we ook terug voor een hogere gevoeligheidsinstelling, namelijk met ruis. Omdat bij een hogere gevoeligheid de pixels warmer worden, gaan ze elkaar verwarmen, en daardoor treedt ruis op. Noot: voordat ik dit wist, was het me al eens opgevallen dat ik de mooiste foto's met een digitale camera maakte in de winter... Noot 2: maak niet de fout je digitale camera een uurtje in de koelkast te leggen en 'm er dan uit te halen om er bij 20 graden een foto mee te maken. Dikke kans dat die foto wel mooier is, maar dat de levensduur van je camera er met sprongen mee achteruit gaat.
    Hoe groter de fysieke afmetingen van een CCD, des te verder zitten de pixels van elkaar af, en dus des te minder is de kans op onderlinge verwarming en dus op ruis. Met andere woorden: hoe groter de CCD, des te groter is de kans op betere resultaten met hoge gevoeligheden.
    Dat is net zo bij film: hoe groter het negatiefformaat, des te fijner is de korrel op de afdruk (stomweg omdat bij het vergroten van een 6x6cm-negatief minder vergroot hoeft te worden dan bij een APS-negatief of een kleinbeeldnegatief. Daarom loop ik geregeld rond met zo'n ouderwets uitziend ding met 120 rolfilm erin, en ik ken fotografen die werken met negatieven van 20 x 25 centimeter (echt waar). Overigens kan die korrel (met name bij zwart/wit-fotografie) ook bijdragen aan de foto... en bovendien is een fijne korrel niet altijd te prefereren. Zelf geef ik de voorkeur aan een film die me veel details in de schaduwen laat behouden - als die een iets duidelijker korrel heeft neem ik dat graag voor lief.
    Met ruis is dat helaas niet zo - ruis is ongelijk verdeeld, met name in de donkerder partijen, en altijd storend. Technici vertellen ons dat, met de huidige techniek, er een bovengrens is van wat je kwijt kunt op een CCD op kleinbeeldcamera-formaat - dat zou ongeveer op 16 mpixel liggen. De 22 Megapixel van de Leaf Lumina voor mijn Mamiya is wel haalbaar, maar alleen vanwege het veel grotere formaat van de CCD. En die Leaf Lumina kan ik in elk geval niet betalen. De meeste digicompacten zullen de gevoeligheid automatisch instellen naar gelang de behoefte. Dat is overiens een enorm voordeel van digitaal ten opzichte van "natte" fotografie - ik kan een Tri-X film weliswaar zonder moeite zowel op ISO 100 als op ISO 1600 belichten (en daar dan ook resultaten mee behalen die er met geen enkele digitale camera, en ook niet met die digitale Leaf-achterwand inzitten), maar dan moet ik er bij het ontwikkelen wel rekening mee houden - dus moet ik een heel rolletje op dezelfde ISO-waarde belichten. Bij digitaal kan dat per opname gebeuren. Daarom sleep ik dus meestal meerdere camera's mee, en op je ouwe dag ga je dat merken aan het gewicht in je rugzakje

    Joule
    Eenheid voor de hoeveelheid energie die bijvoorbeeld een elektronenflitser produceert.

    Kelvin(K)
    In fotografische termen is het de eenheid van de kleurtemperatuur. Standaardeenheid van thermodynamische temperatuur. Wordt berekend door 273 op te tellen bij x graden Celsius.

    Key(K)
    Zwart, onderdeel van het CMYK kleurmodel.

    Kleinste-lensopening
    Kleinste diafragmaopening met het hoogste f-getal

    Kleppen
    Instelkleppen rond floodlamp om lichtspreiding te beheersen.

    Kleurbalans
    Aanpassing, correctie of manipulatie mogelijk in alle stadia van het fotografisch proces om op het eindproduct, de foto, neutraal grijs te krijgen.

    Kleurcontrast
    Het duidelijke verschil in helderheid tussen twee naast aangrenzende kleurvlakken.

    Kleurcorrectiefilter
    Gebruikt om gebreken in de verlichting en/of film te corrigeren.

    Kleurencirkel
    Kleurenspectrum in cirkelvorm waarbij de segmenten met complementaire kleuren tegenover elkaar liggen.
    Een kleurencirkel is een manier om zichtbaar te maken hoe de primaire kleuren en secundaire kleuren in elkaar overlopen. Een discontinue kleurencirkel geeft de verschillende kleuren in een afgelijnd boogdeel, een continue kleurencirkel laat de verschillende kleuren in elkaar overvloeien. Een kleurencirkel kan ook beschouwd worden als gebaseerd op een in het platte vlak afgebeelde gesloten continue kromme in een driedimensionale kleurenruimte. Die kromme wordt om hem zichtbaar te maken gemodelleerd als een gedeeltelijke schijf, die zelf geen doorsnede meer is.
    Continue kleurencirkel in de beeldschermtechniek (rood-blauw-groen)Omdat er oneindig veel kleuren zijn, bestaan er discontinue kleurencirkels met een verschillend aantal kleuren. De eenvoudigste kleurencirkels bestaan uit zes kleurvlakjes: drie primaire en drie secundaire kleuren.
    Verschillende kleurmengsystemen

  • Kleurencirkel
  • Kleurencirkel (rood-blauw-geel)
    Welke kleuren primair zijn, hangt af van het gebruikte kleurmengsysteem.
    In de schilderkunst, wordt gebruikgemaakt van subtractieve kleurmenging en worden meestal rood, blauw en geel als primaire kleuren beschouwd.
    In de kleurendruk, waar evenals in de schilderkunst gebruik wordt gemaakt van subtractieve kleurmenging, gelden cyaan, magenta en geel als primaire kleuren.
    In de beeldschermtechniek, maar ook bij het mengen van bundels licht (zoals in de theatertechniek met gekleurde spots gebeurt), wordt additieve kleurmenging gebruikt, en zijn rood, groen en blauw de primaire kleuren.
    Complementaire kleuren staan in een kleurencirkel diametraal tegenover elkaar. Een oplossing heeft een bepaalde kleur omdat ze de complementaire kleur absorbeert.
    De kleurencirkel bestaat uit de spectrale kleuren aangevuld met de extraspectrale kleuren, waaronder magenta, die een verbinding vormen tussen de hoogste en de laagste frequenties uit het kleurenspectrum, respectievelijk violet en rood.
    Subtractieve en additieve kleurmenging
    Subtractieve kleurmenging is een model voor de menging van kleurstoffen en pigmenten. Een kleurstof werkt door de absorptie van een deel van het zichtbare licht. Wat het reflecteert is dus maar een deel van het spectrum. Vandaar de naam van dit systeem: subtractie betekent "aftrekking".
    Additieve kleurmenging geeft een model voor de effecten van menging van golflengtes van het zichtbare licht. Menging van licht houdt in dat meer golflengtes tegelijkertijd worden uitgestraald. Vandaar de naam: additie betekent "optelling".
    Kleurencirkels in de schilderkunst
  • Kleurencirkel (geel-cyaan-magenta)
    Discontinue kleurencirkel in de schilderkunst (rood-blauw-geel)De hier afgebeelde traditionele kleurencirkel bestaat uit zes kleuren, rood, oranje, geel, groen, blauw en paars. De primaire kleuren rood, geel en blauw staan in een driehoek. Hetzelfde geldt voor de secundaire kleuren oranje, groen en paars. De complementaire kleuren staan tegenover elkaar. Rood staat tegenover groen, geel tegenover paars, oranje tegenover blauw.
    Iets uitgebreider is de kleurencirkel van Johannes Itten. Deze bevat naast de bovengenoemde zes kleuren ook nog de zes "tertiaire kleuren" geeloranje, roodoranje, roodviolet, blauwviolet, blauwgroen en geelgroen, en heeft dus in totaal twaalf kleuren. Met deze heel eigen interpretatie van het begrip "tertiaire kleur" heeft Itten veel verwarring geschapen. Behalve in de schilderkunst wordt deze kleurencirkel veel gehanteerd in het bloemschikken.
    Kleurencirkels in de drukkunst
    Het hierboven geschetste, nog zeer veel gebruikte systeem is echter wetenschappelijk gezien onjuist: het bestaat eigenlijk uit niet anders dan eeuwenoude kleurmengvoorschriften uit een tijd die door gebrek aan pigmenten met de juiste kleur gebruik moest maken van zeer slechte benaderingen.
    Discontinue kleurencirkel in de drukkunst (geel-cyaan-magenta)Bij het gebruik van drukinkten gebeurt de kleurmenging wat wetenschappelijker en wordt uitgegaan van de 'ware' primaire kleuren. De ware primaire kleuren zijn van licht naar donker: geel, cyaan (een hemelsblauwe tint) en magenta (een zeer fel roze). Door menging van twee primaire kleuren ontstaan de ware secundaire kleuren, van licht naar donker: groen (uit geel en cyaan); rood (uit geel en magenta) en blauw (uit cyaan en magenta). De ware paren van complementaire kleuren staan tegenover elkaar: geel-blauw; cyaan-rood en magenta-groen. Aangezien de primaire kleuren lichter zijn dan de secundaire kleuren, is het niet zo dat de cirkel gelijkmatig van licht naar donker oploopt.
    Worden inkten in de kleuren aan de punten van een gelijkzijdige driehoek, willekeurig gedraaid rond het midden van de cirkel, met elkaar gemengd, dan ontstaat in theorie de kleur zwart; ieder pigment absorbeert immers een deel van het licht en de drie pigmenten samen het geheel. Het maakt niet uit hoe deze driehoek staat, het geldt ook voor de driehoek in een kleurcirkel met overlopende kleuren. In de praktijk zullen echter eerder bruinachtige tinten ontstaan. Daarom wordt naast magenta, cyaan en gele inkt ook altijd zwarte inkt gebruikt.
    Overigens geldt ook voor de kunstschilder onverkort dat een gewenste kleur slechts gemengd kan worden door bewuste of onbewuste toepassing van het wetenschappelijke systeem.
    Kleurencirkels in de beeldschermtechniek
  • Kleurencirkel additieve menging van rood, groen en blauw
    Afgeronde kleurendriehoek die ontstaat bij additieve menging van rood, groen en blauw. Alleen deze basiskleuren bereiken de cirkelrand van pure kleuren. De hoogtelijnen vertegenwoordigen de subjectieve intensiteit.Bij additieve kleurmenging, zoals in een televisiescherm of een computermonitor, gaat het in principe om dezelfde kleuren als bij druktechniek, en zijn dus dezelfde kleurencirkels van toepassing. Alleen wisselen hier de primaire en de secundaire kleuren van rol. Nu zijn de donkerste kleuren de primairen, d.w.z. de bouwstenen waaruit alles is opgebouwd. Logisch, want door lichtmenging wordt de kleur natuurlijk "lichter". In een kleurenbeeldscherm zijn dus slechts lichtbronnen in drie kleuren aanwezig: rood, groen en blauw. Door menging van licht in deze drie kleuren ontstaan de secundaire kleuren magenta, cyaan en geel, en ook alle andere kleuren.
    Ook hier staan de complementaire kleuren staan tegenover elkaar. In principe is deze cirkel dus identiek aan de kleurencirkel bij de drukkunst. Een verschil ontstaat als we ook van deze cirkel een schijf maken: dan staat in het midden het summum van additie: wit - dat wat we ervaren als alle drie de kegeltypen geprikkeld worden.
    Worden de kleuren bij de punten van een gelijkzijdige driehoek als licht met elkaar gemengd dan ontstaat dus wit licht. Het maakt niet uit, hoe deze driehoek staat.
    Complementaire kleuren en absorptie
    Een oplossing heeft een bepaalde kleur omdat ze de complementaire kleur absorbeert:
    Kleur oplossing Complementaire kleur
    Geel Blauw
    Magenta Groen
    Cyaan Rood
    Merk op: de kleur en de complementaire kleur staan tegenover elkaar in de kleurencirkel. Dat betekent niet dat een rode oplossing alleen cyaan absorbeert, wel dat een rode oplossing kleuren absorbeert die opgeteld de indruk van cyaan zouden geven.
    Hieronder zijn gedeelten van de kleurencirkel in een rechte balk weergegeven. Door de beperkingen van standaardmonitoren is het altijd onmogelijk een zuivere groene kleur weer te geven: in plaats hiervan zien we een groengele tint. Een afdruk met een kleurenprinter zal de bedoelde groentinten tonen. In de vakken staat de RGB-kleurcodering die ook in HTML wordt gebruikt.
    Kleuren worden, om er praktisch mee te kunnen werken, in een schema gezet, we noemen dit de kleurencirkel. Er zijn nogal wat
    verschillen tussen de kleursystemen want er zijn veel deskundigen die een kleursysteem hebben bedacht. Bekend zijn de systemen
    van Ostwald, van Itten en dat van Gerritsen, heel belangrijk is ook het systeem van Albert Munsell.
    Inzicht in een kleursysteem maakt voor ons veel duidelijk over kleurcombinaties bij bloemwerk.
    Kleurcontrasten, toepassing van neutrale kleuren en het gebruik van eenkleurige combinaties komen veel voor bij bloemwerk.

    Kleurencompensatiefilter
    Verminderen of versterken een kleurafwijking ter verhoging van de sfeer.

    Kleurenconversiefilter
    Een filter om een film die is uitgebalanceerd voor een bepaalde kleurtemperatuur geschikt te maken voor een andere lichtbron. Een daglichtfilm heeft zo bij een gloeilampverlichting een 80A-filter nodig om de kleuren minder geel te maken

    Kleurenfilters
    Bij zwart wit fotografie versterken zij de contrastwerking

    Kleurenkaart
    Studioaccessoire om het uiteindelijke afdrukresultaat te controleren op werkelijke kleuren.

    Kleurenmodus
    Het kenmerk van een digitaal bestand, wat de kleuren die het bevat beschrijft. Bijvoorbeeld RGB, CMYK, Grayscale.

    Kleurtemperatuur
    Een maat voor de kleurkwaliteit, de hoeveelheid blauw of rood licht die uit een lichtbron komen. Een lage kleurtemperatuur is bijvoorbeeld het relatief vele rood en oranje licht van een gloeilamp, terwijl een flitser veel hogere kleurtemperatuur heeft, namelijk blauw licht. Kleurtemperatuur wordt weergegeven in graden Kelvin, bijvoorbeeld 4600K bij een gloeilamp en 9600K bij helder daglicht

    Kleurverzadiging
    Zuiverheid en intensiteit van een kleur als gevolg van afwezigheid van wit of zwart.

    Kleurzweem
    Overheersende, niet gewenste, kleur of sluier die de kleurverzadiging beïnvloed.

    Klikdiafragma
    Hoor- en voelbare verdeling van de diafragmaring van het objectief.

    Korrel
    De structuur van een foto, bestaande uit een onregelmatige ophoping van deeltjes op de drager. Film kan fijn en grofkorrelig zijn. Meestal geldt dat hoe sneller de film is, hoe groter de korrel is. Dit geldt ook voor films waarvan de ISO-waarde is verhoogd. Zie: pushing

    Korreligheidsindruk
    De indruk van korreligheid wanneer een foto onder normale omstandigheden wordt bekeken. Op een dergelijke afstand is het oog alleen in staat om samenklontering te constateren en niet de afzonderlijke korrels.

    Kunstlicht-kleurenfilm
    Dit is een kleurenfilm die is uitgebalanceerd bij kunstlicht met een kleurentemperatuur van 3400K

    Kunstlichtfilm
    Kleurenfilm met speciale emulsie die de onderwerpen bij kunstlicht natuurgetrouw weergeeft. De kunstlichtfilm is extra gevoelig gemaakt voor blauw. 3200 K. Meestal staat kunstlichtfilm en/of 'Tungsten' op de verpakking

    Kussenvormige-vertekening
    Lensfout die beeldvervorming geeft in de vorm van uitgetrokken hoeken.

    L
    Canon aanduiding van een hoogwaardig objectief met calciumfluoride kristallen, asferische lenzen en ED-glas

    Langzame-film
    Laaggevoelige film. Meestal 50 ISO of minder.

    Latent-beeld
    Het reeds aanwezige, maar nog onzichtbare beeld op een negatief, voordat het ontwikkeld wordt.

    LCD
    Liquid Cristal Display. Halfgeleidend weergave, informatiesysteem. Venstertje waarbinnen verschillende schermpjes kunnen worden opgeroepen die alle informatie geven over camerasysteem en functies. Het stroomgebruik ligt lager dan van LED's. Light emitting diodes.

    LD
    Low Dispersion, Tamron beschrijving van AD

    Lens
    Een combinatie van glazen elementen die achterelkaar gezet licht focussen op een film, cmos of ccd.

    Lenskap
    Een ronde koker die voor de lens wordt aangebracht om het zijlings in de lens vallende licht tegen te gaan

    Lensopening
    Ronde opening aan de voorkant van de camera dat de hoeveelheid licht bepaalt die door de lens op de film valt

    LHA
    Tamron omschrijving voor een objectief met een hybride element uit weinig brekend ED-glas en een asferische buitenkant (ASP), die de beide voordelen combineert.

    Lichtbak
    Een apparaat waarop men dia’s kan bekijken die van onderen worden verlicht

    Lichtbrekingsfilter
    Filter met fijne ingeetste lijnen. Door het scheidend vermogen wordt de samenstelling van het licht gebroken waardoor een verstrooide regenboog van kleurlijnen over het beeld valt.

    Lichtbuiging
    Het effect van verspreidend licht of dicht langs de rand van een ondoorschijnend oppervlak strijkt. Bij een zeer kleine lensopening beïnvloedt dit de beeldkwaliteit.

    Lichtspoor
    Lichtstreep in beeld veroorzaakt tijdens belichting door bewegend licht.

    Lichtsterkte-van-een-objectief
    Veel gebruikte term waarmee de maximale lichtdoorlaatbaarheid van het objectief wordt aangegeven. Tevens de maximale opening.

    Lichttent
    Studioattribuut. Lichtdoorlatende constructie met doek waardoor een diffuus licht op onderwerpen wordt verkregen. Voornamelijk gebruikt bij hoogglanzende objecten.

    Lichtwaarde
    Berekening van belichting voor camera's waar diafragma en sluitertijd aan elkaar zijn gekoppeld.

    Lijnfilm
    Hoogcontrastfilm, waarbij na aangepaste ontwikkeling alle halftonen zijn verdwenen.

    Lijnperspectief
    Twee evenwijdig lopende lijnen die in het beeld convergeren waardoor een denkbeeldige diepte wordt opgeroepen.

    Loopbodemcamera
    Traditioneel opklapbare technische camera. Meestal van hout.

    Low-key
    Foto’s waarvan het grootste gedeelte uit donkere tinten bestaat

    Luchtperspectief
    Diepteindruk door nevel.

    M
    Manueel, handmatige instelling van sluitertijd en diafragma

    M/A
    Nikon aanduiding dat direct van autofocus naar handmatige scherpstelling overgeschakeld kan worden

    Macrolens
    Een speciale lens die nodig is voor het maken van close-ups zonder tussenringen of balgapparaten

    Magenta
    Een blauwrood licht en complementaire kleur van groen, maakt onderdeel uit van CMYK.

    Matglas
    Aan een kant gematteerde glasplaat waarop kan worden scherpgesteld.

    Maximale-densiteit
    De grootste dichtheid van een zilver of kleurenbeeld die in een bepaalde ontwikkelde emulsie bereikt kan worden. De donkere rand van een diafilm bevat de maximale dichtheid.

    Meerveldslichtmeting
    Lichtmeetsysteem waarbij de delen van een beeldvlak afzonderlijk worden geinterpreteerd om vervolgens samen geanalyseerd te worden.

    Meervoudig-flitsen
    Herhaaldelijk flitsen om de belichting bij een statisch onderwerp te vergroten.

    Meervoudige-belichting
    Methode om meerdere onderwerpen te belichten en afzonderlijk op een negatief bij elkaar te brengen.

    Meervoudige-gewogen-lichtmeting
    De meting van het licht vooral in het centrale deel van het zoekerbeeld of vanuit één van de scherpstelpunten

    Meetrekken
    Het meebewegen van een camera met een snel bewegend onderwerp, waardoor de achtergrond onscherp wordt en het onderwerp scherp blijft. Hiermee ontstaat de suggestie van beweging, ook wel: pannen.

    Meetzoeker
    Instrument dat is opgebouwd uit twee kijkers en een halfdoorlaatbare spiegel. Scherpstelmechanisme op z.g.n. meetzoekcamera's.

    Megapixel
    Eén miljoen pixels, 1.048.576 pixels, wordt gebruikt om de resolutie van digitale cameras te beschrijven.

    Metol
    Ontwikkelstof. Wanneer gebruikt als enige ontwikkelstof produceert Metol een zacht contrast met goed doortekende hoge lichten en zeer fijne korrel. In sterke verdunning geeft het bovendien een hoge randscherpte (Perceptol, Microdol X). Metol wordt echter meestal gebruikt in combinatie met Hydroquinon in semi-nivellerende ontwikkelaars voor algemeen gebruik, met goede doortekening van schaduwen en hoge lichten (D76, ID11). Para-methylaminophenol sulfaat [(CH3NHC6H4OH)2. H2SO4 Moleculair gewicht 344.3. Wit kristallijn poeder dat oplosbaar is in water, alcohol en ether. Metol moet aan het water toegevoegd worden vóór Natriumsulfiet. Metol is giftig en kan huidallergie veroorzaken. Metol is lang houdbaar, en staat ook bekend onder de namen Genol, Elon, Graphol, Pictol Verol e.a.

    Metol-allergie
    Na langdurig contact met Metol of andere aminobenzenen ontwikkelen sommige personen een huidallergie. Als men eenmaal een overgevoeligheid voor Metol heeft opgebouwd, wordt de huid bij het geringste contact meteen rood, gezwollen en uiteindelijk ontstaan blaren. Metol allergie kan eenvoudig voorkomen worden door in de doka beschermende handschoenen te dragen tijdens het ontwikkelen van films en papier.

    Middengrijs
    Gemiddeld helderheidsniveau tussen hoge lichten en schaduwpartijen.

    MIE
    Meter Indicated Exposure, door de lichtmeter bepaalde belichting.

    Minimale-densiteit
    Minimale dekking van de drager (dun negatief). Bepalend voor de maximale helderheid van de hoge lichten in een dia.

    Minimalisme
    Een trend in de schilder- en beeldhouwkunst die zich met name in Amerika ontwikkelde in 60'er en 70'er jaren. Zoals de naam al impliceert, houdt minimalistische kunst zich uitsluitend bezig met het essentiële; het is puur abstract, objectief en anoniem, zonder franjes. De schilderijen en tekeningen zijn vaak gebaseerd. Een trend in de schilder- en beeldhouwkunst die zich met name in Amerika ontwikkelde in 60'er en 70'er jaren. Zoals de naam al impliceert, houdt minimalistische kunst zich uitsluitend bezig met het essentiële; het is puur abstract, objectief en anoniem, zonder franjes. De schilderijen en tekeningen zijn vaak gebaseerd op wiskundig berekende grids en lineaire patronen. Beeldhouwers maken gebruik van industriële processen en materialen, zoals staal, perspex, zelfs fluorescerende buizen, met het doel geometrische vormen te maken (vaak in serie). Bekende kunstenaars: Andre, Flavin, Judd, LeWitt, Mangold, Martin, Morris, Ryman, Serra en F Stella.

    Mired-waarde
    Eenheid om de kleurtemperatuur uit te drukken.

    MM
    Kenmerk van de Carl-Zeiss objectieven met automatische sturing voor Contax en Yashica

    Mode
    Een van de programma's die beschikbaar zijn in een automatische camera.

    Modelleerlicht
    Een lamp die in studioflitsers is ingebouwd om van te voren het lichteffect te bestuderen, voordat een flitser afgaat

    Moiré
    Het onbedoeld optreden van een patroon, omdat een raster (van kleuren) verkeerd wordt gepositioneerd.

    Montagefoto
    Foto die bestaat uit een aantal verschillende opnamen

    Motor-drive
    Filmtransportsysteem. Ingebouwd of als accessoire.

    Naturalisme
    In brede zin: richting waarbij de nadruk wordt gelegd op een weergave van de werkelijkheid; het afbeelden met de natuur als voorbeeld. Als ook het minder fraaie of zelfs het lelijke onverbloemd wordt weergegeven spreekt men wel van realisme. Beide termen worden ook wel door elkaar gebruikt

    Negatief
    Ontwikkeld fotografisch beeld met tegengestelde grijswaarden of kleuren. Bij zwart wit zijn de hoge lichten van een onderwerp donker en de schaduwpartijen licht. Bij een kleurenfilm zijn de kleuren complementair vastgelegd.

    Neo-realisme
    Overkoepelende term voor de verschillende realismen van de jaren 1920 en 1930

    Neostijlen
    Benaming van kunststijlen uit de 19de eeuw, waarbij voor bepaalde vormen, ornamenten of stijlprincipes teruggegrepen werd op kunststijlen uit het verleden. Ze werden vooral toegepast in de architectuur en de kunstnijverheid. Neostijlen zijn bijvoorbeeld het neoclassicisme, de neogotiek en de neobarok

    Neutrale-densiteit
    Een densiteit die bij alle zichtbare golflengten gelijk is resulterend in de afwezigheid van kleur.

    Neutrale-densiteitsfilter
    Een vrijwel kleurloos filter dat wordt gebruikt om de hoeveelheid licht die door de lens valt te reduceren

    NiCad
    Nikkel-Cadmium, een component van oplaadbare batterijen

    Nieuwe-zakelijkheid
    Letterlijke vertaling van het Duitse begrip Neue Sachlichkeit, dat midden jaren 1920 werd geïntroduceerd om de harde werkelijkheidsbenadering te karakteriseren

    Non-substantieve-film
    Kleurenfilm waarbij de kleurvormende stoffen niet bij de fabricage in de film werden aangebracht maar bij de ontwikkeling worden toegevoegd. Bijvoorbeeld Kodachrome

    Normaal-objectief/normale-lens
    Standaardlens met een brandpuntsafstand die ongeveer gelijk is aan het diagonaal van het filmformaat. Hierbij kom de gezichtshoek overeen met die van het menselijk oog.

    Objectief
    Tube met diverse lenzen. Geplaatst in meerdere eenheden waardoor optimale correctie mogelijk is.
    Brandpuntsafstand is kleiner dan het diagonaal van het filmformaat.
    Bouwlengte is ongeveer gelijk aan de brandpuntsafstand. Hierbij zijn geen concave lenselementen toegepast om kortere bouw mogelijk te maken.

    Omkeerfilm
    Diafilm. Zo genoemd vanwege een bepaalde fase in de ontwikkeling waarbij de film korte tijd wordt gesluierd, waardoor het beeld dat normaal negatief zou zijn wordt omgekeerd. Dit sluieren kan zowel chemisch of met licht gebeuren.

    Omkeerring
    Een apparaat waarmee een gewone lens andersom op de camera kan worden geplaatst, waardoor het focussen op zeer korte afstand mogelijk wordt en de doortekening toeneemt

    Omkleuren
    Een ontwikkelde zwart wit opname een bepaalde kleur geven, door middel van bleken en tonen.

    Onderbelichting
    Te weinig licht laten inwerken door een tekorte belichtingstijd of te klein diafragma.

    Onderontwikkelen
    Korter dan normaal ontwikkelen om overbelichting te compenseren of om contrast te verminderen.

    Ontwikkelaar
    De alkalineoplossing die zilver-halogenide kristallen omzet in zilverkorrels die het blijvende beeld op de emulsie van de film vormen

    Opaalglas
    Melkachtig glas gebruikt voor gelijkmatige diffusie van een lichtbron.

    Open-flits/open-flash
    Belichtingsmethode waarbij de sluiter openstaat en meerdere malen geflits wordt. Eventueel vanaf verschillende plaatsen.

    Openen
    Het vergroten van het diafragma door een lagere f-stop te kiezen waardoor meer licht op de film valt.

    Optica
    Dat gedeelte van de natuurkunde, dat zich met de verschijnselen van het licht bezighoudt. Ook benaming voor een soort camera-obscura

    Optimaal-as
    Lijn door het middelpunt van het objectief.

    Optimaal-diafragma
    De diafragmastand waarbij de beelden met de hoogst mogelijke kwaliteit worden gevormd. De optimale diafragmastand ligt twee a drie f-stops kleiner dan de grootste opening.

    Optische-Dichtheid
    Dynamisch Bereik, ook wel Optische Dichtheid (D, van densiteit), is het bereik van kleurtonen dat een apparaat kan onderscheiden. Het wordt gemeten als verschil tussen DMin en DMax. Het wordt in de scanner bepaald door de gevoeligheid van de hardware en de bitdiepte.

    Opvallend-lichtmeting
    Meting van het licht dat het voorwerp verlicht.

    Orthochromatische-film
    Film die gevoelig is voor groen en blauw licht. Nauwelijks reagerend op oranje en rood licht.

    OTF/ODF
    On The Film, ‘op de film’ dus in de camera lichtmeting door het meetsysteem van de camera

    Overbelichting
    Te veel licht toelaten op het fotografisch materiaal door een te groot diafragma of te lange sluitertijd.

    Overstraling
    Niet beeldvormend licht veroorzaakt door verstrooiing en reflectie. Overstraling tast de beeldkwaliteit aan.

    P
    Perspectiv Ausgleich, Leica omschrijving van een shiftobjectief

    P-formaat
    Eén van de drie beeldformaten van APS, panoramastand met een verhouding van 5:2.

    Panchromatische-film
    Film die gevoelig is voor alle kleuren van het zichtbare spectrum.

    Panchromatische-film
    Film die gevoelig is voor alle kleuren van het zichtbare spectrum.

    Paneel
    Verticale delen van een technische camera. Voorpaneel is de lensstandaard achterste paneel de houder voor matglas en filmhouder.

    Pannen
    De techniek van het bewegen van de camera met een bewegend onderwerp. Het resultaat is een foto met een scherp onderwerp tegen een onscherpe achtergrond.

    Papier-met-variabel-contrast
    Fotopapier met dubbele emulsielaag waarbij door het gebruik van een bepaalde filtering zachter of harder contrast kan worden weergegeven.

    Papiergradatie
    Contrastwerking van het fotopapier liggend tussen de 0 en 4. Zacht tot harde gradatie afhankelijk van merk en (combinatie) gebruikte chemie.

    Parallax
    Het verschil tussen wat de camerazoeker ziet en wat de lens ziet bij compactcamera’s. Het ontstaat bij dichtbij gelegen onderwerpen en uit zich door een verschuiving van het beeld op de foto ten opzichte van het zoekerbeeld

    PC
    Perspectief Correctie, de door de zogenaamde shiftobjectieven uitgevoerde verschuiving van lenzen, die in een rechte hoek op de lengteas kan worden gezet. Het gezichtsveld kan worden verandert zonder de camera te bewegen.

    Peel-apart-film
    Soort direct klaarfilm die enige tijd na belichting van elkaar gescheiden worden. Het negatieve deel kan worden weggegooid.

    Pentaprisma
    Vijfkantig prisma dat zich boven op de meeste camera's bevind. Heeft als functie dat het beeld, in de zoeker, goed geprojecteerd wordt. Links en rechts, boven en onder.

    Perspectief
    Het voorstellen van ruimte op een tweedimensionaal vlak, die bedoeld is een indruk van diepte te scheppen. Dit perspectief en ander mathematische vormen van perspectief vormen de basis van de illusionistisme. Atmosferische perspectief is het suggereren van diepte, door in een landschap de verder weg gelegen delen een ’nevelig’ blauw/groene tint te geven

    Phenidon
    Ontwikkelstof. Lage oontwikkelactiviteit die goede doortekening geeft in de schaduwen. Meestal gebruikt in combinatie met Hydroquinon om een semi-nivellerende ontwikkelaar te vormen voor algemeen gebruik (ID11). 1-phenyl-3-pyrazolidon (ook wel 1-phenyl-3-pyrazolidinon, phenidon A en Graphidon). C9H10ON2 moleculair gewicht 162.19 Slecht oplosbaar in water. Beter oplosbaar in alcohol. Witte kristallen of kristallijn poeder. Kan allergiën en huidirritaties veroorzaken.

    PhotoCD
    Een door Kodak ontwikkeld systeem om 35 x 24 mm negatieven of diafilm gedigitaliseerd op een cd-rom te zetten. Elke foto wordt in vijf resoluties opgesagen. ProPhotoCD is de professionele versie en heeft behalve een grotere resolutie ook de mogelijkheid tot grotere negatief of dia formaten

    Picture-CD
    Vergelijkbaar met PhotoCD maar met een lagere resolutie en maar één versie per afbeelding. Het is met name bedoeld voor 35mm en APS gebruikers

    Pixel
    Picture Element. De kleinste eenheid van een digitaal beeld. Digitale bestanden en resoluties worden uitgedrukt in pixels, bijvoorbeeld 800 x 600. De kwaliteit van het beeld van digitale camera’s wordt uitgedrukt in MegaPixels, wat een maat is voor de (mogelijke) resolutie van het beeld.

    Pixelate/pixilation
    De pixels van een grafisch bestand worden opgeblazen tot grote blokken, die duidelijk herkenbaar zijn. Hoe meer pixilation, hoe slechter het beeld.

    Pixellization
    Het maken of optreden van pixels in een grafisch bestand. Het woord stamt uit 1973, toen twee grafische pioneers, Whitney en Demos, aan de film Westworld (met Yul Brynner) werkten. Ze ontwikkelden de techniek die Pixellization wordt genoemd. Het creëert een gecomputeriseerd mozaïek van puntjes. Een beeld wordt in grote blokken verdeeld en dan elk blok weer in kleine vierkante gebieden. Dan worden alle blokken gemiddeld in één kleur binnen een gebied, waardoor een betere representatie van een plaat ontstaat.

    Plaatselijk-belichten
    Dokatechniek. Doordrukken of tegenhouden van bepaalde partijen om de afdruk meer vermogen te geven.

    Plastisch
    In drie dimensies: met nadrukkelijke suggestie van volume

    Polarisatiefilter
    Een filter dat reflecties van oppervlakken reduceert of de kleur verzadiging van bijvoorbeeld de lucht verhoogt. Het gebruik heeft geen gevolgen voor de belichtingstijd

    Polychroom
    Grieks: veel kleur, in tegenstelling tot monochroom
    Portretfotografie is niet alleen het vastleggen van een goed gelijkende afbeelding van het onderwerp. Ook is het belangrijk om te proberen het karakter van het model vast te leggen. Dit is eenvoudig te bereiken door mensen te fotograferen op een moment dat ze zich daar niet bewust van zijn en ze dus niet de kans hebben om zich anders voor te doen. Dit zijn de spontane foto's . Wanneer iemand echt poseert, is het vaak moeilijk om het karakter van de persoon vast te leggen omdat mensen vaak een gemaakte houding aannemen. Als fotograaf is het dan belangrijk om het model gerust te stellen en door het voeren van een gesprek en te wachten tot het model een natuurlijke houding aanneemt. Door te fotograferen met een grote lensopening zoals f/4 zal de dieptewerking beperkt blijven en worden afleidende details op de achtergrond buiten beeld gehouden. Hierdoor zal het model het belangrijkste element op do foto zijn. Om het model op het gemak te stellen voor de camera kunt u de volgende eenvoudige technieken gebruiken: Praat met uw onderwerp, zorg ervoor dat hij of zij begint te praten over een gezamenlijke interesse. Binnen enkele minuten zal het model de camera vergeten en kunt u zodra er een interessante uitdrukking verschijnt, een mooie foto maken. Vraag nooit aan het model om te glimlachen of 'cheese' te zeggen. Een echte glimlach komt van binnenuit en de enige manier waarop u dit kunt bereiken is door het model een reden tot glimlachen te geven. Vertel bijvoorbeeld een grapje of praat over een grappig voorval dat u hebt meegemaakt. Bedenk ook dat een bedachtzame, serieuze blik ook heel mooi kan zijn. Wanneer u een ernstig portret wilt, praat dan over ernstige zaken of iets waarvan u weet dat het de juiste reactie zal uitlokken. Lichtbronnen
    U kunt het licht vrij eenvoudig houden. Voor een portret van een man gebruikt u een lichtbron die in een hoek van 45 graden van het model staat. Hierdoor zullen de gelaatstrekken van het model en de texturen van zijn huid naar boven gebracht worden. Voor het fotograferen van een vrouw of een meisje kunt u beter zachtere en gelijkmatige verlichting gebruiken om harde schaduwen te voorkomen. Twee lichtbronnen aan elke kant van de camera zijn dan ideaal. Let niet alleen op het model maar ook op de achtergrond, plaats hier extra belichting om ongewenste schaduwen te voorkomen. Wanneer u buiten een foto wilt maken is het zachte licht van een heldere, maar licht bewolkte dag ideaal voor het maken van een portretfoto. Door het zachte licht is er weinig contrast en hoeft u geen rekening te houden met harde schaduwen. Wanneer u toch in helder zonlicht moet werken, zet het onderwerp dan in de schaduw waar het licht zacht. Ook kunt u een heel mooi effect bereiken door het model naast een raam te laten plaatsnemen om gebruik te maken van het naar binnen vallende licht. Als het licht te fel is kunt u het verzachten door een wit laken voor het venster te hangen. Door een groot wit vlak (bijvoorbeeld een stuk wit papier) te gebruiken kunt u iets van het licht reflecteren waardoor er iets minder schaduwen ontstaan. Bedenk dat een groot raam een zacht en gelijkmatige verlichting zal geven en een kleine raam zoals een dakraam gebruikt kan worden om scherpe spotlicht effecten te maken. Voor een goed portret hoef je niet over de meest geavanceerde apparatuur te beschikken. Een goed portret legt het wezen van de persoon op de foto vast en dat kan op meer manieren dan alleen door middel van het gezicht. Zo kunnen ook de ogen, de handen of een bepaalde houding heel kenmerkend voor iemand zijn. Portretten Voor veel foto's is het goed om het onderwerp dicht te benaderen, dit geldt echter niet voor een portret. Maak portretten liever niet met een groothoeklens (24-38 mm). Het onderwerp wordt hierdoor namelijk vertekend weergegeven waardoor je portret een grote fok, een aardappelneus of hoe je het maar noemen wilt, krijgt. Neem dus iets meer afstand en gebruik een 50-80 mm lens (of zoom iets in met je zoomlens). Wil je iemand samen met een gebouw ("kijk hier zijn we bij de toren van Pisa") fotograferen maak dan niet de fout om de persoon vlak bij het gebouw te zetten en zelf veel afstand en een groothoeklens te nemen....dat ziet er echt niet uit. Neem afstand van het gebouw en laat de persoon met je meelopen, je kunt hem/haar dan prominent in het beeld plaatsen met het gebouw (eventueel een beetje onscherp) op de achtergrond.
    De 'ideale' lens om te portretteren. Is doorgaans twee maal de standaardlens, geeft daardoor een 'veilig' gevoel bij het model. De fotograaf staat immers relatief ver van zijn onderwerp af.

    Positief
    Ontwikkeld fotografisch beeld. Waarbij in de zwart wit fotografie de hoge lichten als lichte tonen worden weergegeven en de schaduwpartijen als donkere tonen. Bij kleurenfotografie komen de kleuren overeen met de originele situatie.

    POV
    Point Of View, positie van waaruit de afbeelding is gemaakt.

    Prentkunst
    Verzamelnaam voor alle druktechnieken, namelijk hoogdruk, diepdruk en vlakdruk, en de voortbrengselen daarvan

    Primaire-kleuren
    De kleuren rood, geel en blauw voor het afbeelden van kleuren op papier en linnen. Het zijn de meest zuivere (basis) kleuren, ze kunnen niet gemaakt worden door andere kleuren te mengen. Uit menging van deze drie basiskleuren uit het spectrum ontstaan de overige secundaire kleuren

    Proefstrook
    Een hulpmiddel om in de donkere kamer de juiste belichtingstijd te bepalen door een reeks van belichtingen op een strook fotopapier te doen en deze op de standaard manier te ontwikkelen

    Profiel
    Zijaanzicht. Een portret en profil toont de beschouwer de zijkant van een menselijk gelaat.

    Programma
    Belichtingsprogramma's die op een camera mogelijk zijn zoals diafragmavoorkeuze of sluitertijdenvoorkeuze. Halfautomatisch belichtingssysteem.

    Proportie
    Onderlinge verhouding van afmetingen van de delen van een kunst- of bouwwerk. Om aan bepaalde esthetische eisen te voldoen, werd hiervoor reeds in de oudheid een norm ontwikkeld

    Pulling
    Het verminderen van de oorspronkelijke snelheid van een film door de tijd van het ontwikkelen van de film te verminderen

    Pushing
    Het toenemen van de oorspronkelijke snelheid van een film door de tijd van het ontwikkelen van de film te verlengen

    Pushing
    Het toenemen van de oorspronkelijke snelheid van een film door de tijd van het ontwikkelen van de film te verlengen

    Quantizering
    Het toewijzen van een numerieke waarde aan een gedeelte van een analoog plaatje, als onderdeel van het digitaliseren.

    Radiaal
    Straalsgewijs vanuit één punt

    Randscherpte
    Microcontrast op de overgang van lichte en donkere partijen in een zwart-wit negatief, welk de indruk van scherpte verhoogt. Verdunde ontwikkelaar wordt in donkere partijen snel opgebruikt. Als dit vlak grenst aan een lichte partij, diffuseert onverbruikte ontwikkelaar naar het donkere deel. Hierdoor wordt de zwarting aan de rand van het zwarte vlak hoger en aan de rand van het lichte vlak lager. Het contrast wordt plaatselijk hoger. Dit effect geeft een indruk van verhoogde scherpte.

    Realisme
    In het algemeen een in alle perioden gebruikte voorstellingswijze, waarbij (in tegenstelling tot het idealisme) naar een getrouwe afbeelding van de werkelijkheid wordt gestreefd. Soms worden de termen naturalisme en realisme door elkaar gebruikt. Meestal wordt met de benaming realisme de onverbloemde weergave van het gewone en zelfs lelijke werkelijkheid aangeduid

    Reciprociteitseffect
    Bij zeer korte of lange belichtingstijden verandert de filmgevoeligheid. De film verliest een deel van zijn lichtgevoeligheid. Het reciprociteitseffect is afhankelijk van de filmemulsie. Bij kleurenfilm reageren de drie kleurenlagen verschillend waardoor een kleurverschuiving plaats vindt.

    Reciprociteitswet
    Belichting = intensiteit x tijd. M.a.w. een correcte afstemming tussen diafragma en sluitertijd.

    Reflector
    Oppervlak dat gebruikt wordt om licht te reflecteren. In portretfotografie worden reflectoren gebruikt om het hoofdlicht te verzachten of een schaduw op te helderen.

    Relatief-diafragma
    Brandpuntsafstand van een objectief gedeeld door de intreepupil. Uitgedrukt in f-stops. Voorbeeld: een 50 mm objectief met een maximale lensopening van 25 mm heeft in doorsnee een relatief diafragma van f/4.

    Resolutie
    Het vermogen om details te onderscheiden. Bij een film wordt de resolutie bepaald door o.a. de korrelgrootte in de emulsie, bij digitaal beeld door de hoeveelheid pixels.

    Resolutie
    Het aantal lichtgevoelige elementen van de beeldsensor, de resolutie, wordt uitgedrukt in megapixels (miljoenen pixels).
    Een instapmodel biedt ongeveer 2 megapixels, de wat duurdere modellen 4 of 5 megapixels. Voor een afdruk op 10x15 centimeter volstaat een resolutie van 3 megapixels, voor een afdruk op A4-formaat minimaal 4 megapixels. Ook als u foto’s wilt bewerken en daarna afdrukken op 10x15 cm is 4 megapixels handig. Over het algemeen geldt: hoe meer megapixels, des te gedetailleerder de foto’s. Staart u zich niet blind op een hoge resolutie. Met een camera met 5 megapixels, maar met een slechte lens maakt u geen topkwaliteitopnamen.

    Restvormen
    Vormen die overblijven tussen de abstracte vormen of tekens of tussen figuratieve elementen. Bij het opbouwen van een compositie kunnen deze restvormen van groot belang zijn

    Reticulatie
    Craquelépatroon in de filmemulsie ontstaan door extreme verschillen in temperatuur of zuurgraad van de ontwikkelvloeistoffen.

    RF
    Rear Focusing, Nikon en Sigma aanduiding, dat alleen de achterste groep van een lens beweegt om scherpstelling te sturen, een aparte vorm van IF

    RGB-Kleuren
    Als we inzoomen op de monitor (of televisie), dan zien we drie verschillende kleuren in punten terugkomen, Rood, Groen en Blauw: RGB. De RGB-kleuren worden in verschillende hoeveelheden licht gecombineerd om alle tussenliggende kleuren te creëren. De hoeveelheden R, G en B worden uitgedrukt in één van de 256 kleuren die een pixel kan zijn, de waarde ligt tussen de 0 en 255. Omdat het licht betreft zal 255 RGB wit zijn, 0 is zwart. RGB wordt toegepast in desktopscanners, monitoren en digitale camera's.

    Richtgetal
    Het richtgetal van een flitser bepaald de lichtopbrengst en is gelijk aan het produkt van de afstand (van flitser tot onderwerp) en het benodigde werkdiafragma. Een richtgetal van 45 wil zeggen: bij vol vermogen is diafragma f45 nodig om op 1 meter afstand van het onderwerp een juist belichte opname te maken. Immers richtgetal = afstand x diafragma. Richtgetallen zijn altijd gedefinieerd bij 100 ASA

    Rijstzak
    Zie : Bonenzak

    Ringflitser
    Een speciale ringvormige flitser, meestal gebruikt bij macro-fotografie en close-ups, soms ook voor portretten. In dat geval komen op het onderwerp ringvormige highlights voor.

    Rococo
    Luchtige, bewogen stijl die zich in de tweede helft van de achttiende eeuw in Frankrijk uit de barok ontwikkelde, genoemd naar het rocaille (schelp) dat ik deze stijl een grote rol speelde. Het rococo was in de eerste plaats een decoratiestijl: muren en gewelven van bouwwerken werden met sierlijke ornamenten en stuc. Goud, schilderingen en snijwerk versierd

    Rode-ogen
    Optisch effect waarbij de pupillen van de ogen rood worden. Komt voor wanneer de flitser zich te dicht bij het objectief bevindt en direct op het onderwerp gericht is.

    Rode-ogen-reductie
    Voorflitsje met als doel de oogpupil te verkleinen.

    Romantiek
    Richting in de Europese literatuur aan het einde van de achttiende en in de eerste helft van de negentiende eeuw waarbij gevoel en verbeelding op de voorgrond treden: vervolgens ook als term gebruikt voor de overeenkomstige vormen in andere kunsten en op de hele levensstijl van die periode.

    Sabattier-effect
    Ook wel pseudo solarisatie genoemd. Gedeeltelijke toonomkering (en of kleur) ontstaan door korte lichtinwerking tijdens de ontwikkeling.

    Sandwich
    Twee opelkaar geplaatste negatieven of dia's voor projectie of afdrukken.

    Saturation(S)
    Ook wel verzadiging, refereert aan de mate waarin de kleur puur is. Wanneer er minder verzadiging is, is de kleur verdund met wit. De verzadiging wordt uitgedrukt in procenten, waarbij 0% geen verzadiging is en bij 100% is de kleur natuurlijk helemaal verzadigd. Onderdeel van het HSB kleurenmodel.

    Scanner
    Apparatuur om een analoge foto, negatief of dia om te zetten in een digitaal bestand

    Schaduwdetail
    Donkerste detail van een onderwerp of positief beeld. Veelal bepalend voor de ondergrens van de belichting.

    Scheidend-vermogen
    Resolutie van objectief of film.

    Scheimpflugse-voorwaarde
    Het op een punt laten samenvallen van voorwerpsvlak (onderwerpsvlak), objectiefvlak en filmvlak. Kan alleen indien voor en achterwand van camera verstelbaar zijn zoals een technische camera.

    Scherpte
    Term om de graad van detaillering in een fotografisch beeld weer te geven.

    Scherptediepte

  • scherptediepte 1
  • scherptediepte 2
    Het punt voor en achter het punt van scherpstellen dat nog scherp is. Dit scherpstelvlak is groter bij een klein diafragma (groot f-getal), bij het gebruik van een groothoeklens en grotere afstand tot het onderwerp. Het is kleiner bij een groot diafragma (klein f-getal), het gebruik van een tele- of macrolens en korte afstand tot hetonderwerp (DOF: Depth Of Field) is het gebied in een foto dat scherp oogt. Bij een grote scherptediepte is een foto vanaf de voorgrond tot de horizon scherp. De scherptediepte strekt zich uit van /13 voor het scherpstelpunt tot 2/3 erachter. Drie factoren bepalen de scherptediepte: Diafragma, Brandpuntsafstand lens, Voorwerpsafstand
    Bij een kleinere diafragma-opening wordt minder licht toegelaten tot de CCD, maar neemt het gebied waarover de foto scherp is, toe. Hoe kleiner het diafragma (f 16 of f 22) des te groter de scherptediepte.
    Brandpuntsafstand lens
    Bij een bepaald diafragma zal, bij een korte brandpuntsafstand van de lens (f<35mm, groothoeklens) de scherptediepte groter zijn dan bij een lens met een lange brandpunt (f>85mm, telelens). Een 28mm lens bij f 8 heeft dus een veel groter scherptegebied dan een 300mm lens bij hetzelfde diafragma.
    Hoe kleiner de afstand van de camera tot het voorwerp, zoals bij macro-fotografie, des te kleiner de scherptediepte.
  • scherptediepte of wel DOF
    Scherptediepte (Engels: Depth of Field) is een zone in het onderwerp die bewust of noodgedwongen scherp wordt afgebeeld. Daartoe dienen de verstrooiingscirkels, behorende bij de voorwerpspunten voor en achter het instelvlak, zodanig te worden verkleind dat hun diameter binnen de toelaatbare grootte komt. In de kleinbeeldfotografie is dit 0.030mm. Voor digitale camera's geldt de volgende formule: CoC = (CoC 35mm / crop factor) [1].
    Voorwerpen die dichter bij of verder weg liggen dan het voorwerp waarop scherp is gesteld, worden dan onscherp weergegeven. De scherptediepte kan worden vergroot (zodat het gebied dat scherp wordt afgebeeld zich uitbreidt) door een diafragma in te stellen dat het gebruikte lensoppervlak verkleint, maar dit gaat dan ten koste van de lichtsterkte. Naast het diafragma zijn de afstand tot het scherpstelpunt en de brandpuntsafstand van de lens de factoren die de scherptediepte bepalen:
    Hoe groter de brandpuntsafstand, hoe kleiner de scherptediepte
    Hoe kleiner het diafragma (dus hoe hoger het F-getal), hoe groter de scherptediepte
    Hoe kleiner het opnameformaat (denk aan compact digitale camera's), hoe groter de scherptediepte
  • scherptediepte in beeld
  • scherptediepte visueel
    Wanneer de diafragmaopening wordt verkleind zal de lichtkegel veel 'spitser' binnenvallen. De cirkels (verstrooiingscirkels) worden dan ook kleiner en dus scherper afgebakend. Om nu te bepalen wat door mensen als scherp wordt beschouwd zijn er afspraken gemaakt en voor het kleinbeeld formaat geldt dat scherp overeenkomt met een verstrooiingscirkel met een diameter kleiner dan 1/30 mm.
    De scherptediepte is dus het hele gebied (niet alleen op het instelpunt waarop is scherp- gesteld, maar ook op het gebied er voor en er achter) waarbij de verstrooiingscirkels kleiner zijn dan 1/30 mm. Dit gebied is overigens niet gelijkmatig 'verdeeld'; de scherpte van het gebied voor het scherpstelvlak is kleiner dan het gebied er achter. Bij de zogenaamde hyperfocale afstand loopt het scherptegebied achter het scherpstelpunt door tot in het oneindige.
    Scherptediepte bij groothoeklens versus telelens
    Een groothoeklens (met een korte brandpuntsafstand) heeft een veel grotere scherptediepte dan een telelens (met een grote brandpuntsafstand), de scherptediepte is namelijk omgekeerd evenredig met het kwadraat van de brandpuntsafstand maar dat gaat alleen op bij dezelfde instelafstand en diafragma. Op korte afstand: Wanneer de instelafstand bij beide objectieven ongelijk is maar de afbeeldingsmaatstaf gelijk, dan is de scherptediepte ook gelijk. Het enige wat in deze situatie dan verandert is het perspectief.
    Zie berekening.
    Scherptediepte kleinere formaten, b.v. bij een digitale compact camera.
    Digitale compact camera's hebben over het algemeen een sensor die veel kleiner is dan het formaat van b.v. kleinbeeldfilm (36mm x 24 mm). Een compact camera heeft b.v. een sensor oppervlak van (6mm * 4mm). Hierdoor wordt de scherptediepte aanzienlijk groter. Een camera met een sensor die 6 keer zo klein is levert een scherptediepte alsof het diafragmagetal 6 keer zo groot is. De scherptediepte is in de volgende situatie ongeveer gelijk. Beeldhoek gelijk, scherpstelafstand 5 meter, kleine sensor camera met een diafragma van 2.8, 35 mm camera (full frame) met een diafragma van 16.
    In de fotografie wordt de scherptediepte van een foto onder meer artistiek gebruikt. Het is niet automatisch zo dat de grootste scherptediepte ook de mooiste foto oplevert; vaak is het mooier als alleen het hoofdonderwerp van de scène goed scherp wordt afgebeeld. Ook kan een onscherpe afbeelding van voor- of achtergrond een dieptewerking geven. Afhankelijk van het gewenste effect kan de fotograaf kiezen voor een grote of geringe scherptediepte door de keuze van het objectief en het diafragma. Het niet kunnen kiezen voor een geringe scherptediepte bij de compacte digitale camera wordt dan door fotografen ook vaak als het grootste nadeel van dit type camera gezien. Er is zelfs een apart begrip voor de kwaliteit van de onscherpte, dit wordt bokeh genoemd.
    In de praktijk
    scherptediepteschaal die aangeeft dat het beeld bij diafragma F16 scherp is van 2,7 m tot oneindig. Deze lens staat echter op F2.8De afstandsinstelring op lenzen is vaak voorzien van extra aanduidingen die de scherptediepte bij verschillende diafragmawaarden aangeven. Deze schaal staat dan naast de streep die de ingestelde afstand aanwijst, de kleinste diafragmawaarde (grootste lensopening) staat dan het dichtst bij de afstandsstreek. Bij zoomlenzen zijn meerdere schalen van toepassing, omdat de scherptediepte met de brandpuntsafstand variëert.
    Als de scherptediepte kritisch is is het aan te bevelen zowel de minimale als de maximale afstand te meten (door erop scherp te stellen of met een meetlint) en het diafragma zo te kiezen dat beide afstanden binnen de op de lens aangegeven schaal vallen.
    Voorbeeld van een foto met een kleine scherptediepte.Als de hyperfocale afstand en diafragmawaarde bekend zijn, kan de scherptediepte met de volgende formules worden berekend:
  • DOF berekening
    Waarin A is de afstand tussen objectief en het begin van de scherptediepte, B is afstand van objectief tot einde scherptediepte. H is hyperfocale afstand en v de instelafstand.
    Voorbeeld 1: een objectief met een brandpuntsafstand van 135mm, ingesteld op 5m, het diafragma is 1:11, de verstrooiingscircel is 1/30mm en bedoeld voor een kleinbeeldcamera.
    H de hyperfocale afstand wordt berekend met:
  • H de hyperfocale afstand wordt berekend met
  • DOF berekenings voorbeeld H
  • DOF berekenings voorbeeld A
  • DOF berekenings voorbeeld B
    (DOF: Depth Of Field) is het gebied in een foto dat scherp oogt. Bij een grote scherptediepte is een foto vanaf de voorgrond tot de horizon scherp. De scherptediepte strekt zich uit van /13 voor het scherpstelpunt tot 2/3 erachter. Drie factoren bepalen de scherptediepte: Diafragma, Brandpuntsafstand lens, Voorwerpsafstand
    Bij een kleinere diafragma-opening wordt minder licht toegelaten tot de CCD, maar neemt het gebied waarover de foto scherp is, toe. Hoe kleiner het diafragma (f 16 of f 22) des te groter de scherptediepte.
    Brandpuntsafstand lens
    Bij een bepaald diafragma zal, bij een korte brandpuntsafstand van de lens (f<35mm, groothoeklens) de scherptediepte groter zijn dan bij een lens met een lange brandpunt (f>85mm, telelens). Een 28mm lens bij f 8 heeft dus een veel groter scherptegebied dan een 300mm lens bij hetzelfde diafragma.
    Hoe kleiner de afstand van de camera tot het voorwerp, zoals bij macro-fotografie, des te kleiner de scherptediepte.

    Scherptevlak
    Het vlak waarop scherp wordt gesteld en waarvoor en waarachter zich de scherptediepte afspeelt. Bij 'normale' camera's ligt dit vlak evenwijdig aan de film in het toestel. Bij technische camera's kan het objectief ten opzichte van het filmvlak worden gekanteld waardoor het scherptevlak (volgens de voorwaarde van Scheimpflug) heel anders kan komen te liggen. Ook dan is de scherptediepte een bandbreedte 'voor' en 'achter' dit vlak hoewel dit dan geredeneerd is vanuit de lens en niet vanuit het projectievlak.

    Scherptevlak
    Het gedeelte waarbinnen een beeld scherp wordt weergegeven. Bij de starre camera bevindt zich het scherptevlak altijd verticaal en loodrecht op de optische as.

    Schittering
    Storende elementen in de beeldvorming.

    Schwarzschild-effect
    Gevoeligheidsverlies en verschuiving van de kleurenbalans in een normale film hetgeen door afwijkende belichtingstijden wordt veroorzaakt.

    SCSI
    Small Computer System Interface (uitgesproken als 'skoezie') is vooral een stabiele vorm van transport en is er ook in verschillende snelheden, SCSI-2 is de hoogste snelheid die door filmscanners wordt ondersteund.

    SD/SLD
    Super (Low) Dispersion, Tokina en Sigma beschrijving van AD en ED

    Selenium
    Een licht-gevoelig element, wat in sommige flitsers gebruikt wordt. Het is vervangen door de meer gevoelige GPD en SPD systemen

    Sensibilisatie
    Chemisch procédé waardoor de emulsie gevoelig wordt gemaakt voor bepaalde golflengten van het licht. Normale zwart wit films worden panchromatisch, gevoelig voor alle kleuren, gemaakt.

    Sferische-aberratie
    Lensfout waarbij de lichtstralen die langs de randen van het objectief binnenvallen niet op hetzelfde brandpunt vallen als de stralen in de optische as.

    Shiftlens/kantellens
    Zie perspectief corrigerende lens

    SIC/Super-NIC
    Nikon aanduiding voor meervoudige coating, zie SMC

    Silhouet
    Opname van donkere tonen tegen lichte achtergrond.

    Skylight-filter
    Een lichtgekleurd filter dat ultraviolet (UV) licht tegenhoudt. Het vermindert een blauwe zweem bij het gebruik van kleurenfilms

    Slave-unit
    Foto elektrische cel die reageert op hoofdflitser en daardoor tweede flitser activeert.

    SLR
    Single Lens Reflex, Spiegelreflexcamera

    Sluiter
    Het onderdeel van de camera dat de film bedekt en bepaalt hoeveel licht die door de lens valt op de lens mag komen door langer of korter voor de film weg te gaan.

    Sluiterprioriteit
    Een cameraoptie waarbij de sluitertijd afhankelijk van de snelheid van het onderwerp wordt ingesteld en de camera automatisch het juiste diafragma erbij zoekt, waarbij de foto nog correct belicht zal zijn

    Sluitersnelheid
    Duur van de belichting weergegeven in fracties van seconden. Bij wijziging wordt deze tijd gehalveerd of verdubbeld.

    SMC
    Super Multi Coating, de oorspronkelijke Pentax aanduiding voor meervoudige beschermlagen van de lenzen

    Snelheid
    1. Van een film. Filmgevoeligheid hoe hoger het iso/asa getal hoe minder licht hij nodig heeft voor een correcte belichting.
    2. Van de lens: een volle lensopening bied de mogelijkheid om bij geringe lichtomstandigheden te fotograferen. Nadeel hierbij is de geringe scherptediepte.

    Snoot
    Cilindrisch hulpstuk op een lichtbron. Heeft als doel licht te bundelen.

    Soft-Focus
    Een manier om de sferische aberratie in de voor- en achtergrond te beheersen door aan een ring van het objectief te draaien. Dit veroorzaakt een onscherpe voor- of achtergrond

    Soft-focus
    Techniek om beelddetails te verzachten. Heeft een gering scherpteverlies. Soft focus effect kan worden verkregen door speciale lenzen of door voorzetstukken op een normale lens.

    Softbox
    Studiolamp in soort van lichtbak. Waarvan de voorzijde bedekt is met materiaal dat diffuus licht verspreidt.

    Solarisatie
    Omkering van toonwaarden door de emulsie sterk te overbelichten.

    SP
    Super Performance, Tamron omschrijving van objectieven met een bijzondere constructie en afwerking

    SPD
    Silicon Photo Diode, een lichtgevoelig element, wat door sommige lichtmeters gebruikt wordt

    Specialisme
    De beperking van een kunstenaar tot één soort onderwerp, bijvoorbeeld het stilleven, het landschap

    Spiegellens
    Zie catadioptrische lens.

    Spleetsluiter
    Zie sluiter

    Spotmeting
    Het meten van een zeer klein oppervlak van licht, waarbij de omringende licht- en donkerpartijen niet worden meegenomen in de meting. Slechts een klein gedeelte is daarmee correct belicht

    SSC
    Super Spectra Coating, Canon aanduiding voor meervoudige coating, zie SMC

    Standaardlens
    Ook wel normaal objectief genoemd. Fotografische hoek komt overeen met het menselijke gezichtsveld. Bij kleinbeeldcamera 50-55 mm.

    Starre-camera
    In principe alle cameratypen waarvan voor en achterwand niet verstelbaar zijn.

    Stereofoto
    Twee vrijwel identieke opnamen die op hetzelfde moment zijn gemaakt door twee objectieven die 6,4 cm uit elkaar staan. Met behulp van een speciale kijker ontstaat de illusie van een driedimensioneel beeld.

    Stilleven
    Statisch tafereel.

    Stop
    Belichtingseenheid. Sluitertijd of diafragmawaarde.

    Stopbad
    Een zwak zure oplossing die bij het ontwikkelen wordt gebruikt om het ontwikkelproces te stoppen. Hierna wordt de foto gefixeerd

    Stopbad
    Een zwak zure oplossing die bij het ontwikkelen wordt gebruikt om het ontwikkelproces te stoppen. Hierna wordt de foto gefixeerd

    Structuur
    Mate van opbouw van een oppervlakte. Geeft fotografische detaillering.

    STV
    Smooth Trans Focus, Minolta vinding waarbij een tweede ring op het objectief de achtergrondscherpte kan beïnvloeden, zie ook DC

    Substantieve-film
    Kleurenfilm waarbij tijdens de fabricage de kleurvormende stoffen zijn aangebracht.

    Subtractieve-methode
    Methode waarbij kleurpigmenten of filters die licht absorberen gecombineerd worden. Bij het gelijkmatig mengen van de drie primaire kleuren, ontstaat zwart door de afwezigheid van licht.

    Surrealisme
    Internationale stroming, die van ca 1920 tot in de jaren vijftig haar bloeitijd beleefde, voorafgegaan door het verwante Dada. De uitgangspunten werden in 1924 geformuleerd door de leidsman van de internationale surrealistische beweging. Een sterke rol voor het onderbewustzijn en werktuiglijke (’automatische’) registratie van impulsen daaruit. Het surrealisme heeft vaak droom-achtige, vervreemdende en absurdistische trekken

    Symbolisme
    Stroming aan het einde van de vorige eeuw waarin symbolen en motieven, vaak van mythologische herkomst, naar een diepere werkelijkheid verwijzen

    Symbool-of-zinnebeeld
    Een object (van mens tot onderwerp), dat niet voor zichzelf staat, maar voor een diepere betekenis, die afhangt van de context, waarin het symbool is gebruikt: het kruis bijvoorbeeld is het symbool voor het christendom

    Synchronisatietijd
    De snelste sluitertijd op de camera waarbij nog geflitst kan worden zonder last te hebben van het tweede sluitergordijn. Bij snellere tijden zal bij het afgaan van de flits een gedeelte van de film al bedekt zijn door het tweede sluitergordijn. Zie: flitssynchronisatie snelheid en flitssynchronisatie aansluiting

    T-instelling
    Instelling waarbij de sluiter opent als de ontspanknop wordt ingedrukt en open blijft totdat deze nogmaals wordt ingedrukt

    Technische-camera
    Grootformaatcamera waarbij zowel voor als achterwand afzonderlijk kan worden versteld.

    Tegenhouden
    Het tegenovergestelde van doordrukken, een deel van het beeld wordt tijdens het afdrukken minder belichting gegeven onder de vergroter, waardoor het fotopapier minder tint zal krijgen

    Tegenlicht
    Licht dat van achter het onderwerp komt geeft tegenlicht. Geeft altijd donkere silhouetten indien de belichting niet gecorrigeerd wordt.

    Teleconverter
    Speciale constructie die tussen camerahuis en objectief kan worden gemonteerd met als doel de brandpuntsafstand te vergroten.

    Telelens
    Een objectief met een langere brandpuntsafstand, bijvoorbeeld 300 mm.

    Ten-halve-lijve
    Tot halverwege de romp weergegeven, in tegenstelling tot ’ten voeten uit’.

    Thumbnail
    Een kleine, lage-resolutieversie van een digitaal beeld om in een browser beelden van tevoren te bekijken en te selecteren welke men vergroot wil zien.

    TIFF
    Tagged Image File Format, een professioneel digitaal formaat te gebruiken op PC en Macintosh platforms, met een lossless compressie.

    Tint
    Ook wel Hue (H), refereert aan de kleur van het licht en staat los van hoe donker of licht het is. Een Tint van 0 graden is Rood, 60 graden geel, 120 graden groen, 180 graden cyaan, 240 graden blauw en 300 graden magenta. Onderdeel van het kleurmodel HSB.

    Tinten
    Het chemisch veranderen van kleur van een foto naar bijvoorbeeld sepia, of het digitaal inkleuren van een zwart-wit opname

    Tonalisme
    Stijl waarbij een monochrome kleurstelling overheerst.

    Toner
    Chemische stof die gebruikt wordt voor omkleuren.

    Tonvormige-vertekening
    Lensaberratie waarbij de vorm van het beeld wordt vertekend in een 'ton'-vormig model.

    Toon
    Uniforme eenduidige grijstint die kan worden onderscheiden van andere beeldtoon. Zwart wit beelden zijn opgebouwd uit meerdere tonen.

    Toonschaal
    Diversiteit aan grijstinten die te onderscheiden zijn tussen donkerste en lichtste beeldtonen.

    Toonscheiding
    Isoleren van tonen in een beeld. Door het combineren van lijnpositieven en negatieven van verschillende densiteiten.

    Triptiek
    Drieluik. Van oorsprong een altaarstuk bestaand uit een vast middelste deel en twee aan binnen- en buitenzijde beschilderde zijvleugels die dichtgeklapt kunnen worden

    TS-E
    Tilt/Shift EOS, mogelijkheid van een specifiek Canon objectief om een hoek aan te nemen ten opzichte van de lengterichting van het objectief

    TTL
    Through The Lens, door de lens lichtmeting door het meetsysteem van de camera

    Tussennegatief
    'Negatieve' afdruk van een dia met als doel de verhoging van contrast te verminderen.

    Tussenring
    Een ring die tussen het objectief en de camerabody wordt gezet, waardoor onderwerpen die veel dichterbij staan gefotografeerd kunnen worden.

    UC
    Ultra Compact, Sigma beschrijving van objectieven die compact gebouwd zijn.

    UD/Super-UD
    Canon aanduiding voor lenzen met geringe dispersie.

    Uittrek
    De verplaatsing (afstand) van het objectief ten opzichte van de body om van oneindig tot kortere afstand te fotograferen.

    Uittrekverlenging
    Vergroting van de afstand tussen het objectief en body om onderwerpen groter (dichterbij) te kunnen fotograferen. Dit gaat altijd gepaard met lichtverlies.

    Uitvergroting
    Uitsluiten van ongewenste randgebieden van een opname of onderwerp.

    Ultraviolette-straling(UV)
    Straling waar de meeste films gevoelig voor zijn.

    USB
    Universal Serial Bus (USB), in twee versies: 1.1 en 2.0. Het is een generieke aansluiting die in versie 1.1 een betrekkelijk geringe overdrachtssnelheid van 12 Mbps heeft(Mega-bits per seconde, 12 * 1024 = 12288 bits per seconde).

    USM
    Ultra Sonic Motor, Extreem snelle en compacte aandrijfmotor van een Canon, Nikon of Sigma objectief, zie ook HSM.

    Vanitas-vanitantum
    Latijn: ijdelheid der ijdelheden. Vergankelijkheid, nietigheid en ijdelheid van het aardse leven. Als voorstelling in de beeldende kunst waarop voorwerpen zijn weergegeven die aan de dood herinneren. Veel voorkomende symbolen zijn schedel, gedoofde kaars, zandloper, zeepbel en gebroken voorwerp, dat voor symbool staat voor huwelijkse trouw.

    Verdwijnpunt
    Ver afgelegen punt waar (ogenschijnlijk) evenwijdige lijnen samenkomen.

    Veredelingstechniek
    Behandelingswijze en/of bewerking van fotografische emulsie om schadelijke effecten van verouderen te verminderen.

    Vergroter
    Apparaat voor het projecteren van licht op lichtgevoelig papier om een vergrote afdruk te verkrijgen.

    Verkort-of-verkorting
    Volgens de wetten van het perspectief worden de wijkende lijnen, die de diepteruimte aangeven, verkort. De lijnen, die parallel aan het beeldvlak lopen, zijn daarentegen niet verkort.

    Verloop-of-gradatiefilter
    Getoont of getint filter dat naar het midden toe in densiteit afneemt.

    Vervaldatum
    Uiterste houdbaarheidsdatum.

    Verzadigde-kleur
    Rijke pure kleur.

    Verzadiging

  • verzadiging
    Een staal van kleuren met verloop van intensiteit en tint, in twee verzadigingen: 50% (bovenste helft) en 20% (onderste helft)
    Ook wel saturation (S), refereert aan de mate waarin de kleur puur is. Wanneer er minder verzadiging is, is de kleur verdund met wit. De verzadiging wordt uitgedrukt in procenten, waarbij 0% geen verzadiging is en bij 100% is de kleur natuurlijk helemaal verzadigd. Onderdeel van het HSB kleurenmodel.
    De verzadiging is een maat voor de kleurigheid, of zuiverheid, van een bepaalde kleur. Kleuren met een lage verzadiging zijn fletser dan kleuren met een hoge verzadiging. Zwart-witfoto's hebben een verzadiging van nul.
    De verzadiging is onafhankelijk van de tint en de intensiteit.
    Laat µ de helderheid zijn en R, G en B de genormaliseerde (dwz. waarden tussen 0 en 1) componenten van de RGB-kleurenruimte, dan geldt:

    Volautomatisch-diafragma
    Camerasysteem dat de mogelijkheid bied om bij het scherpstellen met een 'open' diafragma te werken. Vlak voor de belichting wordt het diafragma in de voorberekende stand gesloten.

    Volle-lensopening
    Verwijst naar de grootste diafragmaopening. Kleinste f-getal.

    Voorhanden-licht
    Available light. Aanwezige licht. (Kan ook kunstlicht zijn.)

    VR
    1. Vibration Reduction. Zie: image-stabilizer
    2. Virtual Reality. Binnen de fotografie bestaat voor de PC VR-software voor het maken van panorama's.

    Ware-kleuren
    In een digitaal bestand 24 bitdiepte, 16,7 miljoen kleuren (2 tot de 24-ste macht)

    Wet-van-Lambert
    Wet die aangeeft dat de belichting van een oppervlak door een lichtbron evenredig is aan het kwadrant van de afstand tussen lichtbron en het oppervlak.

    Wettingagent
    Bevochtigingsmiddel. Vloeistof die de oppervlakte spanning verlaagt waardoor de kans op droog en kalkvlekken op de film verkleind wordt.

    witbalans
    Elke keer als een digitale camera een foto neemt moet een witpunt worden berekend, waarop het percentage van elke kleur wordt gebaseerd. Omdat dit beïnvloed wordt door de kwaliteit van het licht bij de opname, hebben de meeste cameras de mogelijkheid om een witbalans in te stellen. In de Auto modus, bepalen complexe berekeningen wat het witpunt is. Dit gebeurt meestal vrij nauwkeurig, maar leidt bij bewolkte omstandigheden vaak tot foto's met een blauwe kleurzweem. De witbalansmodus Incandescent (Gloeilamp) of Tungsten (Wolfraam) moet u gebruiken voor opnames binnen zonder flits. Dit past de witbalans aan wanneer het onderwerp belicht is door gloeilampen, zoals die in huis worden gebruikt. Als u echter de warme uitstraling wilt behouden, dan moet u de witbalans niet corrigeren. Gebruik de modus Fluorescent (Fluorescerend) als u bij TL-licht fotografeert. Omdat er verschillende kleuren TL-lampen zijn, hebt u vaak ook meerdere Fluorescent-modi. Soms kunt u ook de witbalans handmatig instellen, zodat u exact het witpunt kunt aangeven. Een witte kaart of vel papier dient dan als referentie bij de betreffende lichtkleuromstandigheden

    Witlicht
    1. Licht dat uit de juiste mengverhouding van rode, blauwe en groene golflengte bestaat.
    2. Daglicht met een kleurentemperatuur van 5500 K.

    Wolfraamlamp
    Gewone of fotografische kunstlichtbron. Heeft een andere kleurentemperatuur dan daglicht.

    Ws
    Maat voor de hoeveelheid licht van een electronische flits.

    X
    Synchronisatie stand voor electronische flitsers, ook wel Xs.

    Zichtbare-spectrum
    Deel van de, voor het blote oog, zichtbare elektromagnetische straling. Wit licht. In gescheiden golflengten de zichtbare 'regenboog'.

    Zoeker
    Optisch hulpmiddel om juiste beelduitsnede te bepalen.

    Zone-Systeem
    Methode om het contrast van negatieven op het contrast van fotografisch papier af te stemmen om een evenwichtige foto te krijgen.

    Zonnekap
    Kap voorop het objectief om overstraling en inwendige reflectie te voorkomen.

    Zoomlens
    Objectief met variabele brandpuntsafstand, bijvoorbeeld 28 tot 200 mm. Het stelt de fotograaf in staat de kader van het beeld te wijzigen zonder voor- of achteruit te lopen.

    Vignettering
    Een voorbeeld van vignetteringVignettering of lichtafval is het afnemen van de helderheid in de hoeken van een afbeelding of foto,
    ten opzichte van het midden.
    Oorzaken Bewust
    Soms is het een bewust effect van de fotograaf om de aandacht naar het midden van het beeld te trekken. Het kan bereikt worden door 'Dianagrafie'.
    Een te lange of te nauwe zonnekap die wel voor de normale beeldhoek voldoet, maar op een groothoekobjectief lichtafval veroorzaakt.
    Hetzelfde geldt voor een te klein filter op de lens. Een objectief is uit meerdere lenzen opgebouwd en wordt in een buis of tubus samengebouwd.
    Wanneer de tubus te lang is, vooral bij groothoekobjectieven, zullen de schuin invallende lichtstralen de tubuswand raken en lichtafval veroorzaken.
    Lichtafval zou ook kunnen ontstaan bij het gebruik van een centraalsluiter in het objectief. Een dergelijke sluiter begint vanuit het midden
    open te gaan tot zijn grootste opening en sluit dan weer vanaf de rand met een steeds kleiner wordende opening naar het midden toe.
    Dus gedurende de tijd dat de sluiter niet helemaal open is, zou vignettering kunnen optreden. Voorwaarde is dat er met een snelle sluitertijd
    wordt gewerkt en de sluiter zich achter de verwisselbare lens bevindt. Remedie, met een kleiner diafragma en dientengevolge langere
    sluitertijden werken. Wanneer de sluiter zich vlak bij het diafragma bevindt, zal het effect minimaal zijn, omdat de sluiter dan als diafragma werkt.
    Door een te grote beelduitsnede te nemen uit het ronde beeld wat het objectief geeft. Elk objectief zal vanuit het beeldcentrum naar
    de randen toe in lichtsterkte afnemen. Verkeerde zuinigheid geeft in dit geval lichtafval. Objectieven ontwikkeld voor niet full-frame digitale
    beeldsensoren, geven op een analoge kleinbeeldcamera beelden met een duidelijke lichtafval. Andersom is geen vignettering te verwachten,
    doordat de uitsnede van het beeld voldoende klein is.
    Een foto die vignettering vertoont kan gecorrigeerd worden door een masker, waarbij de randen helderder gemaakt worden.
    Sommige beeldbewerkingsprogramma's hebben een hoogdoorlaat-filter, waarbij langzame veranderingen in de foto (zoals vignettering) verwijderd worden.

    Kleuren-Impact
    Hieronder zullen we een aantal voorbeelden noemen. Er zullen meerdere kleuren aan bod komen in dit onderdeel.
    Rood is de kleur van liefde, romantiek, vrouwelijk en energie. Daarnaast staat de kleur ook voor agressie, kracht, actie, gevaar en spanning.
    Blauw is de kleur van hoop, maar ook de kleur van de hemel, openheid, verfrissend en rust. Donkerblauw is vooral wat zakelijker en loyaal.
    Geel is de kleur van stralen, zonnig, gelukkig, fris, warmte, veilig, maar met de combinatie zwart weer gevaarlijk. Geel staat ook voor rijkdom, elegantie en openheid.
    Oranje is de kleur van sfeer, warmte en beweging. Oranje staat ook voor genezing. En in ons geval ook de kleur van ons land.
    Groen is de kleur van de natuur en gezondheid, maar ook de kleur van groei, vernieuwing/verandering. Vriendelijkheid heeft ook met de kleur groen te maken.
    Paars is de kleur van modern, loyaliteit, bescheiden en rijp. Maar ook van spiritueel en mysterie.
    Wit is de kleur van de waarheid, hoopvol, vertrouwen, schoon, onschuld en reinheid. Het is kalm, koel en tijdloos maar ook dynamisch.
    Zwart is de kleur van de dood, mysterieus, illusie, rauw, somber en werkt versterkend bij andere kleuren.

    Kleurcontrasten
    Contrast betekent tegenstelling .
    Kleurcombinaties ervaren we als prettig ,mooi ,lelijk ,vervelend .
    Het is mogelijk om aan te geven welke werking er bij bepaalde combinaties ontstaat.
    Om het overzichtelijk te maken hebben we de verschillende kleurcontrasten een naam gegeven. We bespreken de zes belangrijkste:
    1 : kleur-tegen-kleurcontrast
    Alle kleuren uit de kleurencirkel plus zwart en wit kunnen voor het kleur-tegen-kleurcontrast gebruikt worden .
    2 : licht-donkercontrast ~ Het grootste lichtdonkercontrast
    is zwart / wit. 3 : koud-warmcontrast oranje-rood is de warmste kleur en blauwgroen is de koudste kleur in de kleurencirkel.
    4 : complementaircontrast In een complementaircontrast zijn de drie
    hoofdkleuren aanwezig . Blauw naast oranje ( rood+geel.) Geel naast violet (blauw+rood) Rood naast groen (blauw+geel.)
    5 : kwaliteitscontrast De kwaliteit heeft betrekking op de waarde
    van de gebruikte kleur .
    6 : kwantiteitscontrast Kwantiteit betekent hoeveelheid .Dit contrast
    gaat over de tegenstelling veel-weinig of groot-klein.

    Compositie
    Compositie is in de beeldende kunst het ordenen van beeldelementen volgens een vooraf bepaalde strategie. Het is een poging tot creëren van orde in de chaos.
    De term compositie wordt soms ook gebruikt als titel van een kunstwerk, dit wanneer het de bedoeling is geweest van de kunstenaar om een werk te maken met als doel een boeiende vlakverdeling te creëren. Vroeger heeft men meer dan eens gepoogd om vaste regels op te stellen, maar dat is men toen niet gelukt. De ideale verhouding van vormen tegenover elkaar dacht men te vinden in de Gulden snede. De 20ste eeuw heeft de vaste regels vervangen door persoonlijk stijlonderzoek dat individueler en persoonsgebonden verloopt. Compositie is ook het werken met tegenstellingen. Vroeger werd meer gedacht in harmonische termen, daar waar in de hedendaagse kunst vaak de disharmonie de bovenhand voert. De toeschouwer wordt geprikkeld en uitgedaagd om de compositie te verbeteren. Een absoluut meester in het ordenen is ongetwijfeld Mondriaan.
    Simpel gezegd is compositie niet meer dan het ordenen van elementen; een vlakverdeling. Bij 2D-ontwerpen gebruik je meestal afbeeldingen en tekst voor bijvoorbeeld een affiche, flyer, folder, poster, website, software-
    programma of zelfs een multimediale presentatie. Hoe orden je de afbeeldingen en tekst op het papier of beeldscherm? Dat is compositie.

    Composities-soorten
    hieronder vind je een aantal composities die heet meest
    voorkomen op het gebied van vormgeving. Hierbij nemen
    we als voorbeeld advertenties. Die je hier links en hier
    boven kunt zien. Naast de advertenties worden deze kort
    • centraal
    • gerijd
    • symmetrisch / asymmetrisch
    • tweecellig
    • diagonaal
    • horizontaal
    • verticaal
    • ongerijmd
    • cirkel
    • spiraal
    • driehoek
    • ruitvormig
    Een contrast is het verschil tussen tegenstellingen. Bijvoorbeeld tussen licht
    en donker of tussen twee kleuren, tussen personen. Tegenstellingen
    Eén van de aandachtspunten bij het ontwerpen zijn contrasten. Contrasten
    worden heel veel gebruikt in grafische ontwerpen. Contrasten kun je zien als iets wat je combineert met compositie; ze beïnvloeden elkaar. Contrasten kunnen ook duidelijk maken waar het aandachtspunt ligt.
    Als we als voorbeeld het Groot-kleincontrast nemen, dan kun je de aandacht makkelijk trekken met het overdreven vergrote object. Ook kun je door gebruik te maken van contrasten de informatieoverdracht positief beïnvloeden. Dit hangt nauw samen met het aandachtspunt. De belangrijkste informatie kan bijvoorbeeld in het grote object geschreven staan.
    Er zijn vormcontrasten en kleurcontrasten. Johannes Itten heeft veel geschreven over compositie en kleur. Itten is vooral bekend om zijn Kleurenleer, maar niet minder om zijn ¨Vorkurs am Bauhaus¨,
    waarin onderwerpen uiteengezet worden als compositie, vormleer en
    ritmiek. De ideeën die hij voor en tijdens zijn Bauhausperiode bedacht bleven zijn hele leven hetzelfde, maar werden steeds verder uitgewerkt en zijn nu nog steeds op alle vormgevingsuitingen van toepassing.
    De basis van zijn theorie over compositie is de algemene theorie over
    contrasten. Het meest bekende contrast is het kleurencontrast zwart-wit. Ook vormen kunnen in een beeld contrasterend zijn, zoals groot tegenover klein. Je zult wel merken dat contrasten je kunnen helpen bij het vormen van een compositie met spanning. Vormcontrasten Hieronder volgen enkele voorbeelden van verschillende vormcontrasten.
    Wanneer je kijkt naar een foto, doe je dit zelden meteen in zijn geheel. Het oog start vaak op een bepaald punt en wandelt vervolgens over de foto, om tot rust te komen op een andere positie. Foto’s die lang je aandacht weten te behouden hebben vaak een krachtige compositie (indeling van objecten), waardoor het oog op een zekere manier over de foto heen geleid wordt. Het ontbreken van een evenwichtige compositie maakt een foto al snel onrustig, waardoor het oog niet de kans krijgt een rustpunt te vinden, of op een ontspannen manier over de foto te ‘lopen’.
    Het kan dus gesteld worden dat de kracht van een goede foto schuilt in de compositie. Er zijn vele mogelijkheden om tot een geschikte compositie te komen en deze hulpmiddelen zullen hieronder besproken worden. Zij variëren van kleurgebruik tot de zogenaamde ‘Rule of Thirds’.
    Rule of Thirds (De guldensnede lijn)
    Dit is wellicht de bekendste ‘regel’ uit de fotografie en zeker wat composities betreft. De regel stelt dat een object het tot zijn recht komt wanneer het op één der lijnen die de foto in drieën delen geplaatst wordt. De regel is visueel te maken door twee horizontale en twee vertikale lijnen te plaatsen, zodanig dat zij drie gelijke vlakken creëren (zie de afbeelding hiernaast).
    Met de guldensnede lijn worden de twee vertikale lijnen aan de linker- en rechterkant bedoeld. De ‘Rule of Thirds’ is meer algemeen en stelt dat dit ook geldt voor de twee horizontale lijnen. De guldensnede lijn wordt al eeuwen in de kunst gebruikt. Schilders pasten de regel vroeger al toe door een object rond de lijn links of rechts te plaatsen om zo een bepaalde spanning op te bouwen. Het gevolg daarvan is dat we al (meer dan we denken) gewend zijn aan het bekijken van afbeeldingen met een soortgelijke beeldopbouw.
    De diagonaallijn en ‘hotspots’
    Sterk verbonden met de Rule of Thirds is de diagonaallijn. Deze compositie-richtlijn stelt dat een foto normaliter vier hotspots heeft. Dit zijn punten waar de aandacht van de toeschouwer het beste te verkrijgen is. Ze bevinden zich op de vier punten waar de lijnen van de Rule of Thirds elkaar kruisen.
    Wanneer je in een foto twee objecten hebt waar je de aandacht op wilt focussen, dan is dit vaak het best te bewerkstelligen door de objecten op de twee hotspots te plaatsen die zich bovendien op dezelfde diagonaallijn bevinden. Het oog heeft namelijk sterk de neiging om vanaf een bepaalde hotspot een diagonale lijn aan te houden naar een volgende hotspot. Door dit in een foto toe te passen wordt een heel rustig en evenwichtig beeld gecreëerd.
    Los van de Rule of Thirds kan de diagonaallijn gebruikt worden om het oog op een bepaalde wijze over de foto te laten lopen. Denk bijvoorbeeld aan een langgerekt hek dat schuin over de foto loopt. Het oog volgt het hek vervolgens van de voorgrond naar de achtergrond, om daar bijvoorbeeld te rusten op een ander object. Een schuine lijn kan dus een prettigere foto opleveren, doordat je het oog eigenlijk begeleidt.
    Er zijn twee typische diagonnaallijnen: de invoegende diagonaallijn, welke van linksonder naar rechtsboven loopt, en de stoppende diagonaallijn die van linksboven naar rechtsonder loopt. De laatste dankt zijn naam aan het feit dat de kijkrichting vaak onderbroken wordt bij de toepassing van die lijn.
    Overigens hoeft een diagonaallijn natuurlijk niet recht te lopen; een kronkelend pad dat de toeschouwer de door de foto heen lijdt heeft hetzelfde effect.

    Kijkrichting
    Over het algemeen is de mens geneigd een scene van links naar rechts te bekijken. Dit komt ook doordat dit vanaf het begin zo aangeleerd wordt: je leest immers ook van links naar rechts (in de meeste landen). Dit geldt natuurlijk ook voor foto’s en andere afbeeldingen.
    Het punt waar men als eerste de foto bekijkt heet een ‘invoegpunt’. Dit is dus vaak een van de twee hotspots aan de linkerkant. Door een van de hoofdonderwerpen op die punten te plaatsen en het oog eventueel verder te begeleiden naar een andere hotspot op de foto, wordt extra rust gecreëerd. Het omgekeerde kan ook: de kijker verrassen met een invoegpunt aan de rechterzijde.
    De plaatsing van de horizon. Een groot deel van alle foto’s die gemaakt zijn hebben ergens in beeld een horizonlijn lopen. Deze hoeft niet als zodanig zichtbaar te zijn; de mens kan deze uit het perspectief al snel afleiden. Een veelgemaakte fout is de plaatsing van de horizon in het midden van de foto, doordat de camera recht op de scène gericht wordt. Zoals eerder bij de ‘Rule of Thirds’ al opgemerkt was, lopen er ook twee horizontale guldensnede lijnen over de foto. In de compositie van landschappen kunnen deze lijnen gebruikt worden voor het plaatsen van de horizon.
    Het effect kan nog verder gedramatiseerd worden door de horizon nog lager of hoger te plaatsen dan de 1/3e lijn.
    Creëer een ander perspectief met de beeldhoek.
    De mens loopt (bijna) zijn hele leven al rechtop en daardoor zien wij alles vanaf ooghoogte. Dit is dan ook het standaard perspectief waarin wij naar objecten om ons heen kijken. Doordat wij dit dagelijks zo ervaren, zijn foto’s vanuit dit perspectief minder interessant. Het is daarom aan te raden om met je camera door de knieën te gaan, of zelfs helemaal op de grond te gaan liggen, óf om een hoger standpunt te zoeken. Dit levert een veel interessantere beeldhoek op, en kan zelfs alledaagse voorwerpen nog interessant om naar te kijken maken.
    Bij het fotograferen van personen is het echter een ander verhaal: doordat wij mensen beoordelen vanaf ons standaard perspectief, zullen wij dat ook op foto’s doen. Wanneer iemand van dichtbij vanuit een ander standpunt gefotografeerd wordt, levert dit vaak vreemde proporties op, en daarmee minder aantrekkelijke foto’s. Bij kleinere mensen is het dus handig om even door de knieën te zakken; bij langere mensen moet voorkomen worden dat het gezicht van onderen gefotografeerd wordt.
    Maar, er zijn natuurlijk altijd uitzonderingen op dergelijke regels. Bepaalde situaties kunnen heel iets anders eisen, of kan simpelweg niet mogelijk zijn om een ander standpunt te kiezen.
    Niks mis met een scheve foto. Scheef is niet persé slecht: een scheve foto kan juist een heel verfrissend beeld of perspectief creëren. Een klein beetje scheef is echter wel vervelend, doordat het dan als een fout wordt ervaren. Een iets scheef lopende horizon is erg irritant voor de kijker, maar een erg scheve horizon wordt weer wel geaccepteerd. In natuurfotografie zal het niet snel interessant zijn, maar vooral binnen steden en in de modelfotografie kan dit heel leuke foto’s opleveren.
    Bij een scheve plaatsing van het onderwerp is het mogelijk om iets dat anders niet op een hotspot had kunnen staan, alsnog op een hotspot te plaatsen.
    Geef bewegende voorwerpen de ruimte. Foto’s krijgen snel een dynamisch karakter als er een bewegend onderwerp in wordt opgenomen, ongeacht of deze scherp of onscherp in beeld is. Als mens kunnen wij ook in foto’s zien waar een object naartoe beweegt. Het is daarom belangrijk dat het bewegende object de ‘ruimte’ krijgt om te bewegen; m.a.w.: hou ruimte vrij aan de kant waar het naartoe gaat. Doe je dit niet, dan lijkt het ‘opgesloten’ in de foto, wat een heel onrustig gevoel tot gevolg kan hebben. Dit geldt voor rijdende auto’s, fietsers, vliegtuigen, maar ook voor lopende personen.

    Kleurgebruik
    In lang vervlogen tijden fotografeerde iedereen nog met zwartwit film. In zwartwit was een goede compositie de enige manier
    om de aandacht van de kijker op het onderwerp te vestigen. Tegenwoordig kunnen de kleureigenschappen van de omgeving en het
    onderwerp ook gebruikt worden om het beeld te versterken en de aandacht te richten. Zo lijkt het echter alsof kleuren het
    makkelijker hebben gemaakt om tot een goede compositie te komen, echter: het tegendeel is waar. Je hebt als fotograaf tenslotte
    maar heel weinig invloed op de kleuren van de omgeving en het onderwerp zelf. Het kan daardoor gebeuren dat het onderwerp helemaal
    opgaat in zijn omgeving, doordat de kleuren overeen komen. Ook kan het gebeuren dat de foto heel onrustig wordt, doordat er een
    hoop verschillende felle kleuren in voorkomen, of bepaalde kleuren die slecht combineren.
    Een beeld kan extra versterkt worden als het complementaire kleuren bevat. Dit zorgt namelijk voor extra contrast, zodat het oog
    op het onderwerp gericht wordt en oogt bovendien prettig bij elkaar. Een klein onderwerp met complementaire kleuren kan direct al
    voor een interessante foto zorgen. Als het niet mogelijk is om de kleuren op een mooie wijze in de compositie te gebruiken,
    kan de oplossing nog gevonden worden in foto bewerkingsprogramma’s; bijvoorbeeld door enkele kleuren eruit te laten springen,
    en andere te minderen. Natuurlijk is het nog steeds mogelijk om in zwart-wit te fotograferen (of de foto om te zetten naar zwart-wit) en dit levert in veel gevallen ook nog de mooiste foto op.
    De niet-professional zoekt het steeds minder in zwartwitfotografie. Dat is jammer. Juist door de afwezigheid van kleur zie je dat de compositie een uitermate belangrijke rol speelt. Natuurlijk geeft kleur de mogelijkheid om een reële situatie goed weer te geven.
    Een foto die volledig uit felle kleuren bestaat, levert een totaal andere sfeer op dan een foto die slechts één rustige kleur bevat. Bij gebruik van meerdere kleuren spreken we van polychroom kleurgebruik. Het spreekt vanzelf, dat een foto met veel felle kleuren een onrustiger, drukker beeld oproept dan een monochroom kleurgebruik, waarbij slechts één kleur belangrijk is.
    Samengevat: probeer de kleuren bewust in de foto te gebruiken door een juist standpunt te kiezen en goed in te kaderen.
    Een compositie in de kunst is een ordening of samenstelling. Door de compositie kan een kunstenaar ( en dit kan bijvoorbeeld een beeldhouwer, schilder, musicus en filmregisseur zijn ) bijzondere effecten krijgen. De fotograaf kan door een bepaalde compositie een aandachtspunt in zijn werk creëren. Voorbeelden in de fotografie zijn driehoekscomposities, dit zorgt vaak voor een “rustig” beeld. Een ander voorbeeld is een centrale compositie, waarbij de voorstelling zich centraal in het beeld bevindt.
    In de filmkunst noemt men de compositie meestal de regie.
    En in de muziek verstaat men onder de compositie het samenstellen van het muziekstuk. Melodie, ritme, tempo en instrumentatie zijn bijvoorbeeld elementen die bij de muziekcompositie een belangrijke rol spelen.

    Groothoeklenzen
    De groothoeklens is een zeer interessante lens om heel veel diepte in een foto te creëren. De verhoudingen tussen een object op de voorgrond en een verderop gelegen object zijn sterk gedramatiseerd. De groothoeklens heeft echter een groot nadeel: door de grote hoek worden er al snel andere objecten mee het beeld ingetrokken. Deze onderwerpen kunnen afleiden van het hoofdonderwerp en daardoor een onrustig beeld creëren. Het is daarom van belang dat men bij het gebruik van een groothoeklens goed naar het gehele zoekerbeeld blijft kijken, om de compositie te controleren en rustig te houden.
    Vooral met groothoeklenzen is het mooi om objecten in de voorgrond in de foto te verwerken. Dit kan een heel mooi perspectief geven en zorgt voor wat extra dieptewerking in de foto.

    Telelenzen
    Telelenzen zijn in vrijwel elk opzicht het tegenovergestelde van groothoeklenzen: ze halen minder in beeld en creëren van nature minder diepte. Het is dan ook heel moeilijk om met telelenzen alsnog diepte in de foto te brengen. Objecten in de voorgrond zullen vaak te onscherp zijn, en dat zorgt meestal ook voor een onrustig beeld. Als het mogelijk is om een weg, of hekje, of ander verlopend object.
    Met een telelens kan de scherptediepte wel weer gebruikt worden om een gevoel van diepte te creëren. Doordat delen in de foto onscherp zijn ten opzichte van andere, dan geeft dit voor de kijker een zeker gevoel van diepte.
    Hoe dan ook is de compositie bij gebruik van een telelens misschien nog wel veel belangrijker, omdat dit vaak de enige manier is om het oog wat houvast te bieden.
    Regels zijn er om overtreden te worden
    De hier beschreven regels en richtlijnen zijn enkel bedoeld als houvast: ze zijn vaak effectief, maar regelmatig ook niet. Doe dus gerust iets totaal anders dan wat deze regels adviseren. Als je je bewust bent van de belangrijkste compositie richtlijnen, dan ben je ook bewuster bezig met het verbreken van een dergelijke regel, met een nog betere foto als gevolg

    Abstract
    Iets is abstract als er geen herkenbare voorstelling is. We spreken van abstraheren als er van iets herkenbaars iets minder- of totaal onherkenbaars wordt gemaakt.

    Dynamiek
    Met dynamiek bedoelen we hier de afwisselingen in toonsterkten.
    Iets dat schoonheid bevat. Schoonheid in de zin van smaakvol, mooi en kunstzinnig.

    Detaillering
    Als er sprake is van veel detaillering, is er veel aandacht besteed aan de kleine onderdelen van het geheel.

    Keursperspectief
    Een manier om ruimte te suggereren. Felle en opdringerige kleuren lijken op je af te komen terwijl tegengestelde kleuren meer terug lijken te wijken. Van deze kennis maakt een kunstenaar gebruik als hij een schilderij maakt. Dan schildert hij bijvoorbeeld dingen die de aandacht moeten trekken rood en dat wat op de achtergrond moet blijven blauw.

    Ruimtesuggestie
    Ook wel ruimtewerking. Het is de schijnbare ruimtelijkheid. Effecten in een plat vlak (bijvoorbeeld een tekening) waardoor de suggestie van driedimensionale ruimte wordt gewekt. Enkele voorbeelden zijn perspectief, overlapping, groot-klein-werking en verkorting.

    Ritme
    De afwisselingen tussen lange en korte klanken binnen de tijdmaat noemen we ritme. Als je een liedje klapt, klap je in het ritme van dat liedje.

    Reliëf
    De voorwerpen of figuren zijn gedeeltelijk losgemaakt van de achtergrond, waardoor het een ruimtelijke afbeelding lijkt op een plat vlak.

    Kleuren-kennis
    Kennis van kleur en gevoel voor de juiste combinaties van kleuren is doorslaggevend voor een succesvolle kleurenfoto.
    Natuurlijk gaat het bij een kleurenfoto niet alleen om de kleurcombinatie, ook de inhoud naar vorm en contrast en de stijl
    van het geheel speelt een grote rol. En niet te vergeten de manier waarop we dit alles met elkaar samen hangt
    Kleur kan op verschillende manieren worden benaderd. Het gaat dan om:
    de wetenschappelijke benadering
    de psychologische benadering
    de symbolische benadering
    de kunstzinnige benadering
    De feitelijke werking van kleur in de combinatie bepaalt het artistieke gebruik. Een fotograaf werkt met natuurlijke kleuren
    van zijn omgeving

    Johannes-Itten
    De kleurencirkel van Itten is gebaseerd op verfprimairen en bevat twaalf kleuren. De primaire kleuren noemt hij: rood, geel en blauw. De secundaire kleuren, die ontstaan uit menging van twee primaire kleuren zijn oranje, groen en violet. De tertiaire kleuren ontstaan uit menging van een primaire en een secundaire kleur zijn geeloranje, roodoranje, roodviolet, blauwviolet, blauwgroen en geelgroen. In de kleurenleer is het inmiddels bekend dat de door Itten genoemde kleuren niet geheel correct zijn voor wat betreft de keuze van de pirmaire verfkleuren. Optimale menging is bij het complement niet mogelijk.

    Kleurkenmerken
    Om kleuren duidelijk te kunnen omschrijven worden ze aangeduid met de term 'kleurkenmerken', het zijn kleurtoon, grijswaarde en verzadiging.

    Kleurtoon(Hue)
    Een kleur wordt aangeduid met de term kleurtoon (kleursoort). Dit is de kleur die wij zien, de kleur van de kleur; bijvoorbeeld rood.

    Grijswaarde(Value)
    Dit is de lichtheid van een kleur. Het geeft aan in hoeverre een kleur opvallend licht kan reflecteren.

    Verzadiging-(Chroma)
    Dit geeft aan hoe zuiver een kleur is. Een zuivere kleur heeft zijn volste, sterkste en meest expressieve kleurkarakter. Hoe meer grijs, wit of zwart in de kleur aanwezig is hoe minder verzadigd deze is.

    Warme-en-koude-kleuren
    Warm en koud De kleuren die in het rode deel van de cirkel liggen, rood, oranje, geel noemen we de warme kleuren, de overige noemen we de koude kleuren, dit zijn groen, blauw en paars. Als we nu bijvoorbeeld bij een warme kleur geel wat van een koude kleur paars mengen, dan wordt het een koel gele kleur. Zo kan je ook een koude kleur een warmer effect geven door er wat van een warme kleur verf door te mengen. Het begrip warm en koud is dus maar betrekkelijk.

    Pasteltinten
    Kleuren die worden vermengd met wit worden lichter, dit noemen we pasteltinten. Deze stralen een zacht en verfijnd karakter uit.

    Vertroebelde-kleuren
    Kleuren die vermengd zijn met zwart worden donkerder, dit noemen we vertroebelde kleuren, ze zien er vaak somber uit.

    Kleurcontrasten-en-kleurklanken
    Kleurcontrasten ontstaan doordat twee of meer kleuren naast elkaar aanwezig zijn. Er ontstaat dan een verschil en dat noemen wij een contrast. Hoe zuiverder de kleuren hoe sterker het contrast is. Als we twee kleuren uit een cirkel kiezen die ver van elkaar afliggen, dan is het kleurcontrast heel groot.
    Kleur-tegen-kleur-contrast: Dit zijn alle combinaties waar twee kleuren van enig verschil tegen elkaar worden verwerkt.
    Licht-donker-contrast: Dit zijn alle combinaties tussen lichte en donkere kleuren bijv. geel-blauw.
    Koud-warm-contrast: Rood, oranje en geel zijn de warme kleuren; blauw-groen, blauw en paars zijn de koude kleuren.
    Complementair-contrast: Dit zijn alle combinaties van kleuren die in de cirkel precies tegenover elkaar liggen bijv. paars-oranje.
    Simultaan-contrast: Dit betreft de onderlinge beïnvloeding van kleuren, met name in een net-niet complementaire combinatie.
    Kwaliteits-contrast: Dit betreft contrasten tussen kleuren van duidelijk verschillende kwaliteit; grijswaarde of verzadiging.
    Kwantiteits-contrast: Dit betreft een hoeveelheids-contrast, een groot en een klein oppervlak.
    Gulden regel voor combinaties en hoeveelheid
    Een goede basis voor de te gebruiken kleurhoeveelheid in een combinatie van gelijkwaardige kleuren is de volgende gulden regel:
    wit - geel- oranje - rood - groen - blauw - paars/violet
    3 : 3 : 4 : 6 : 6 : 8 : 9
    Kleurenharmonie betekent dat de combinatie van de gekozen kleuren mooi wordt gevonden. Alhoewel dit een subjectief begrip is vinden toch veel mensen hetzelfde mooi. Vanuit de kleursystematiek kunnen we de conclusie trekken dat een combinatie mooi is indien deze is opgebouwd uit een wetmatige samenhang. Dit zijn de combinaties die we volgens een kleurencirkel samenstellen.
    Deze bestaat uit slechts één kleurtoon en daarvan een aantal nuances, alles in geel bijvoorbeeld. We noemen dit ook wel ton sur ton of toon in toon.
    Als we een combinatie kiezen die net iets verder uit elkaar ligt dan bij de monochrome harmonie, dan noemen we dit een analoge of naastliggende (aanliggende) harmonie.
    De monochrome en de analoge combinaties worden ook wel 'op kleur' genoemd, bij analoog is dit alleen zo als de kleuren dicht bij elkaar liggen.
    Hierbij combineren we meerdere kleurtonen. Handig is hierbij de hulp van de schema's van de twee-, drie-, vier-, en meerklanken, we noemen dit ook wel kleuraccoorden of kleurklanken.

    Achromaten
    Dit zijn alle nuances tussen wit en zwart. Het zijn de grijzen ofwel de niet-kleuren. We noemen het ook wel neutrale kleuren.

    Kleurklanken
    Met behulp van de schema's van de twee-, drie-, vier-, en meerklanken, ook wel kleuraccoorden of kleurklanken genoemd kunnen we voor de bloemsierkunst gemakkelijk een aantal aantrekkelijke en evenwichtige combinaties maken.
    (bichromatische combinaties)
    Kiezen we twee tegenover elkaar liggende kleuren dan noemen we dit een complementaire tweeklank.
    (trichromatische combinaties)
    Kiezen we drie kleuren op gelijke afstand in de cirkel dan noemen we dit een regelmatige drieklank.
    Kiezen we een combinatie waarbij één of twee van de kleuren net naast de regelmatig gekozen kleuren liggen dan noemen we dit een onregelmatige drieklank.
    Kiezen we vier op gelijke afstand liggende kleuren dan noemen we dit een regelmatige vierklank.
    Kiezen we een combinatie waarbij één of meer van de kleuren net naast de regelmatig gekozen kleuren liggen dan noemen we dit een onregelmatige vierklank.
    Traditioneel kleurgebruik
    In de bloemsierkunst is zeker ook sprake van een traditie in kleurgebruik. Vanuit het verleden zijn een aantal bekende kleurcombinaties nog immer bruikbaar. Deze gewoontecombinaties beheersen het bloemenvak vrij sterk. Bedenk dat groen altijd als neutrale kleur een onderdeel van de combinatie uitmaakt. Het gaat om combinaties zoals:
    monochromatische of op binnen een kleur (op kleur' combinaties)
    geel met blauw
    zachtroze met donkerblauw
    geel met violet
    bruin met brons en geel
    wit met een andere kleur; oranje, geel, blauw, lila of rood
    gemengde combinaties
    witte nuances voor bruidswerk en rouwwerk
    rood voor rouwwerk en bruidswerk
    We mogen ook gerust alle ton sur ton combinaties tot de traditie van het bloemenvak rekenen. Het zijn nog steeds de meest gehanteerde combinaties.
    Over kleuren, kleurervaring en kleurgebruik
    Het begrip kleur blijkt in het dagelijkse leven sterk gekoppeld te zijn aan onze persoonlijke kleurwaarneming, zoals uit ons spraakgebruik overduidelijk blijkt. We noemen iets 'rood' en communiceren daarmee een voor iedereen begrijpelijke boodschap, hoewel er natuurlijk geen eenduidige kleur rood bestaat. Zodra je wat specifieker probeert te worden slaat daarom de verwarring toe, die ook met nog steeds vrij algemene benamingen als 'brandweerrood' of 'bloedrood', 'kobaltblauw' of 'azuurblauw' maar weinig minder zal worden.
    Het is op dit punt dat we in feite omschakelen van een algemene kleurwaarneming naar een beschrijving van een specifieke kleur. Om dit echt doeltreffend te doen zou je waarschijnlijk beter kunnen spreken over de specifieke golflengte van een kleurnuance in 'nm' (van nanometer, een miljoenste millimeter - zichtbare kleuren lopen van 380 nm, violet, tot 780 nm, rood). Maar hoewel dit natuurlijk wel exact is, lijkt het niet iets waar we in de praktijk gemakkelijk mee om kunnen gaan.
    Schaarse kleuren
    Kleuren hebben voor mensen immers vooral een - vaak grote - emotionele waarde en hebben dit eigenlijk altijd gehad. In het verre verleden werd aan een bepaalde kleuren zelfs een goddelijke kracht toegekend en ook de economische waarde van de verschillende kleurstoffen kon aanzienlijk zijn, hetgeen vaak had te maken met de moeilijke beschikbaarheid. Zo werd de prachtige blauwe kleur 'lapus lazuli' verkregen door het moeizame fijnwrijven van halfedelstenen en het dieprode 'kraplak' door ontelbare schilden van een speciaal kevertje te vermalen.
    In ons chemische tijdperk echter hebben we de meeste kleurstoffen volledig weten te synthetiseren en maken we ze voor een groot deel gewoon uit aardolie, hetgeen het democratisch gehalte door een bijna onbeperkte toegankelijkheid aanmerkelijk heeft weten te vergroten. Dit naast de al van oudsher bekende 'aardkleuren' (zoals de meeste rode en gele okers) en al die uitgesproken kleuren waarbij zware metalen een rol spelen (zoals cadmiumgeel en -rood).

    Kleuren-en-emoties
    Kleurnamen worden dan ook gebruikt om emoties en gemoedstoestanden aan te duiden: we zijn rood van woede, grauw van vermoeidheid, groen van jaloezie... Er zijn omgekeerd genoeg aanwijzingen dat kleuren uit de omgeving een zekere invloed op onze gesteldheid uitoefenen. Rood licht maakt actief en gespannen, terwijl het groen van een bos (of van een operatiekamer) juist rust weet te geven, geel bevordert een opgewekt gevoel.
    Sommigen gaan in deze opvatting zo ver dat ze bij elke kleur een specifieke invloed op het lichaam veronderstellen en met gekleurde lampen of met lapjes gekleurde zijde allerlei ziektes te lijf gaan. Naar men claimt met een positief resultaat, maar dat zullen dan degelijke, dubbelblind-proeven moeten uitwijzen. Wel is daarmee duidelijk dat de technische en de gevoelsmatige benadering van het fenomeen kleur sterk van elkaar verschillen.

    Licht-en-kleur
    Een belangrijk punt is dat we alleen maar over kleuren kunnen spreken wanneer er tevens sprake is van een verlichting, dus van een lichtbron. Immers, een voorwerp weerkaatst of filtert alleen maar licht (wanneer we de lichtgevende voorwerpen even buiten beschouwing laten) en slechts dat geeft ons oog een kleurindruk. Maar ook een lichtbron bezit een heel eigen kleur. De zon is daarbij onze belangrijkste referentie en daaruit leiden we het voor ons zichtbare spectrum af.
    Een gewone gloeilamp wijkt daarvan sterk af. Toch beoordelen we kleuren net zo onbevangen bij zowel dag- als kunstlicht, omdat de subjectieve kleurbeoordeling voor een groot deel in onze hersenen tot stand komt. Problemen ontstaan wat dit betreft soms bij TL-licht, omdat dit een afwijkend karakter bezit. En iedereen kent ongetwijfeld uit ervaring de merkwaardige kleurweergave op de snelweg, die het gevolg is van een monochrome geel/oranje natriumverlichting.

    Lichtbronnen
    We onderscheiden in principe lichtbronnen die een continue spectrum vertegenwoordigen en andere die volgens een lijnenspectrum kleuren uitzenden. Tot de eerste categorie behoren alle gloeilichamen, waarvan de zon uiteraard de belangrijkste representant is, maar ook allerlei, deels oudere, lichtbronnen als olielampen, kaarsen en gloeilampen. Hun kenmerk is het voortbrengen van licht waarin alle spectrale lichtsoorten meer of minder voorkomen.
    Dit in tegenstelling tot gasontladingslampen waarbij door wisselende (ont)ladingen van atomen in een speciaal gekozen gas al dan niet zichtbare lichtstraling wordt opgewekt. De gassoort bepaalt hierbij de kleur, die meestal geen continue karakter heeft zoals bij alle verhitte gloeilichamen, maar die zich afspeelt binnen een (beperkte) 'band' of die heel specifiek een aantal van dergelijke kleurbanden omvat, het zogenaamde 'lijnenspectrum'.

    Licht-Onzichtbaar
    Aan beide uiteinden van het spectrum vinden we de warmte-gevende infrarood-lamp die behalve rood licht ook het voor het oog onzichtbare deel daaronder uitstraalt, en de hoogtezon die vooral het even onzichtbare ultra-violet voortbrengt. Een speciaal geval is de alom tegenwoordige TL-buis, in feite een lagedruk kwikdamplamp, die behalve oplichtende kwikdamp met een puur lijnenspectrum aan de binnenkant van het glas ook een lichtgevende fosforlaag bevat. Zo'n laag zorgt voor de omzetting van voor ons onzichtbaar kortgolvig (ultraviolet) licht in een langgolvige, voor ons wél zichtbare, variant. Door de keuze van deze fosforen kan een vrij grote verscheidenheid aan kleurtinten worden bereikt, waaronder ook de speciale TL-buizen die bij drukkerijen en fotolaboratoria in beoordelingslichtbakken worden gebruikt. Deze bezitten een standaardkleur om de afgedrukte kleuren visueel zo goed mogelijk te beoordelen ten opzichte van het origineel.

    Kleuren-en-het-oog
    Het menselijk oog is een wonder van aanpassing, maar is op zichzelf in kwaliteit niet te vergelijken met de lens van zelfs de goedkoopste camera. Proeven die met een (geprepareerde) ooglens werden gemaakt gaven steeds een onscherp en sterk vertekend beeld te zien. Ons oog fungeert echter vooral als informatieverschaffer aan de supercomputer die door onze hersenen wordt gevormd en in eendrachtige samenwerking worden daarbij echt de ongelooflijkste prestaties verricht.
    Overigens blijkt de rol van het oog volgens de nieuwste onderzoekingen toch wel groter dan tot nu toe werd aangenomen. Dat zit vooral in de manier waarop een gigantische hoeveelheid informatie gericht wordt aangeboden. Al heel lang veronderstelt men in het netvlies twee soorten receptoren: kegeltjes en staafjes. De laatste zijn het meest lichtgevoelig (met name ook voor beweging) maar zijn niet tot kleuronderscheid in staat. De kegeltjes daarentegen wel en deze zijn daarbij ook heel kleurselectief.

    Kleuren-en-kleurwaarneming
    Ze zijn zeer geconcentreerd aanwezig in de buurt van de zogenaamde gele vlek, een kleine indeuking in het netvlies met een omvang van slechts een halve millimeter. Omdat er drie soorten kegeltjes bestaan met een specifieke kleurgevoeligheid bevat de informatiestroom die naar de hersenen wordt gestuurd dus informatie omtrent de verhouding van de drie verschillende basiskleuren. Naar de aard van de gevoeligheid voor een specifieke kleur worden de kegeltjes aangeduid als rood-, groen- of blauwgevoelig.
    Al ruim honderd jaar geleden werd op het principe van drie onderscheiden datastromen de theorie van de kleurwaarneming gebaseerd, en met die rheorie was uitstekend te werken. Al heeft het dan tot 1964 geduurd voordat microscopisch onderzoek hiervoor ook een hechte empirische basis verschafte. Een werkzame basis is echter nog iets anders dan een afdoende verklaring van hetgeen we in werkelijkheid zien en misschien is dat laatste wel nooit helemaal mogelijk.
    Per slot van rekening ondersteunen meer recente onderzoeken steeds meer de notie dat wat wij ervaren als de 'werkelijkheid' in feite het resultaat is van een (mogelijk soms vrij willekeurige) interactie tussen al onze zintuigen. Zeker is dat de interpretatie ervan in onze hersenen in zeer sterke mate kan worden beïnvloed door eerdere ervaringen, door culturele of religieuze interpretatie en door emoties, om maar de meest voor de hand liggende te noemen...

    Subtractieve-en-additieve-kleurproductie
    Wanneer we met een zonnebril rondlopen dan is dit een vorm van subtractieve kleuring, waarbij we door middel van een gekleurd filter (de glazen van de zonnebril) deze kleur als het ware aftrekken van het oorspronkelijke 'witte' licht, dat wil zeggen licht waarin ongeveer alle kleuren van het spectrum vertegenwoordigd zijn. Dat zijn overigens niet alleen de zichtbare kleuren, want we hopen in dit geval vooral ook de schadelijke UV-stralen op een effectieve wijze uit te bannen.
    Ook de toepassingen van kleurige drukinkten berusten op het principe van subtractieve kleurweergave, met de aantekening dat het vierkleuren drukproces tevens een vorm van additieve menging laat zien door de rozetten van telkens alle vier de kleuren. De inkt op het witte papier echter werkt als subtractief filter, de complementaire kleur wordt afgetrokken van wit waardoor de kleur van de inkt (of van de verf) overblijft.
    Weergave door middel van televisie en een computer-monitor is daarentegen puur additief. Hierbij worden rode, groene en blauwe stralen als het ware bij elkaar opgeteld. Wanneer deze in aangepaste intensiteit worden toegevoerd ontstaat wit licht. Dit is het bekende RGB-systeem dat we als computergebruiker van scanner tot monitor allemaal kennen en dat bij het onderwerp van de grafische formaten nog wat uitgebreider aan de orde komt.

    De-proeven-van-Land
    Door uitvinder Edwin Land (van de zonnebrillen en de instant-camera's) werden in de zestiger jaren een aantal proefnemingen gedaan met merkwaardige uitkomsten. Achtereenvolgens fotografeerde hij een stilstaande scene door twee filters, een rood en een groen. Het filmmateriaal was zwart/wit omkeerfilm. De twee ontstane dia's, die van zichzelf dus geen enkele kleurcomponent bevatten, werden door twee projectoren over elkaar heen op een scherm geprojecteerd, waarbij echter ook de projectors van dezelfde gekleurde filters werden voorzien.
    Het bleek een normaal gekleurd beeld op te leveren... Een nog verrassender resultaat ontstond wanneer slechts één van de projectors van een roodfilter werd voorzien. Ondanks dat de afbeeldingen zelf dus in zwart/wit waren en er slechts een enkele roodcomponent wordt toegevoegd blijkt op het scherm toch nog een vrij natuurgetrouw gekleurde afbeelding te ontstaan. Hiermee is dus aangetoond dat een groot deel van het beeldvormende proces zich in de hersenen afspeelt, al is het daarbij wel noodzakelijk dat er voldoende beeldinformatie wordt aangedragen.
    Deze informatie wordt geput uit de helderheidsverschillen in de zwart/wit beelden. Door een kleurcomponent toe te voegen werd gezorgd dat de kleurgevoelige kegeltjes in het netvlies gestimuleerd werden, waardoor de helderheidsverschillen door een ingewikkeld vergelijkingsproces in de hersenen in een gekleurd beeld werden omgezet. Omdat hierbij het netvlies (retina) en de cortex (het deel van de hersenen waar het gezichtsvermogen zetelt) onverbrekelijk met elkaar zijn verbonden staat dit bekend als de Retinex-theorie.

    Kleurenleer-van-Goethe
    Niet alleen wetenschappelijk geïnteresseerden hebben zich in de loop van de tijd beziggehouden met het licht en het verschijnsel kleur, maar natuurlijk vooral ook vele kunstenaars. Iemand die op een gepassioneerde wijze beide disciplines omarmde was de bekende Johann Wolfgang von Goethe. Hij legde zijn observaties en opvattingen aan het eind van de 18e eeuw neer in een magnum opus, waaraan hij zo'n 15 jaar werkte, de befaamde 'Farbenlehre'.
    Goethe botste met zijn interpretatie van het kleurenspectrum met z'n vroege tijdgenoot Newton - een strijd die tenslotte overduidelijk in het voordeel van Newton werd beslist. Zijn theorie bleek gewoon de meest exacte te zijn en werd overtuigend door metingen bevestigd. Desondanks blijven velen vasthouden aan de meer 'mensgerichte' opvattingen van Goethe, o.a. door de Antroposofische beweging. In onze tijd was het Werner Heisenberg die heeft getracht om beide standpunten enigszins op een lijn te brengen.
    Een nieuwe menselijke interpretatie
    Blijft echter het grote vraagstuk wat je als uitgangspunt dient te nemen: een meetinstrument of de kleurperceptie van een mens. En hoewel aanvankelijk de nadruk vooral op het eerste lag en dit in de wetenschap uiteraard onomstreden is, neigt men er inmiddels toch ook meer toe om de menselijke waarneming als een goede basis te beschouwen. Iemand die die in onze tijd het waarnemen van kleuren in een nauwkeurig kader trachtte te plaatsten was kunstenaar/docent Johannes Itten.
    In 1961 verscheen van zijn hand de 'Kunst der Farbe' dat de weerslag was van tientallen jaren gedegen (maar sterk subjectief getekend) onderzoek naar de invloed die kleuren op elkaar en tenslotte vooral op de mens hebben. In zijn voorwoord zegt hij dan ook: 'De hier ontwikkelde leer is een esthetische kleurenleer, ontstaan uit de ervaring en de opvatting van een schilder'. Het boek van Itten is in vele talen verkrijgbaar en wordt door kunstenaars over de hele wereld op waarde geschat.

    CIE-L*a*b
    De menselijke factor en CIE L*a*b
    Maar het is duidelijk dat we voor ons haastige en technische tijdperk een andere referentiekader wensen te hanteren. Merkwaardigerwijze greep men daarvoor terug op een systeem dat al in de dertiger jaren werd ontwikkeld om controle uit te oefenen op de kleur van stoplichten in Frankrijk. Deze dient nu eenmaal door menselijke ogen te worden waargenomen en daartoe ontwikkelde de CIE (Commission Internationale l'Eclairage) al in 19931 een overkoepelend en systeemonafhankelijk raamwerk voor de praktische kleurwaarneming van het oog.
    Binnen dit generale raamwerk kunnen dan specifieke deelgebieden met hun eigen kleurbereik worden aangegeven. Zo'n deelgebied of 'gamut' kan bijvoorbeeld een beeldscherm zijn, een scanner, maar ook drukwerk met een bepaalde set inkten. Het uiteindelijk referentiekader blijft daarbij echter binnen de menselijke waarneming en dat is natuurlijk ook zeer logisch, want van stoplichten tot het mooiste drukwerk blijft het resultaat toch bestemd voor onze ogen.
    Het klinkt allemaal mooi, maar de weerbarstige praktijk laat zich ook hier gelden en uit een eerste theoretisch en 3 dimensionaal kleurmodel werden in de loop van de tijd door de CIE nieuwe modellen ontwikkeld, waarvan het uit 1976 stammende CIE L*a*b* in de computerwereld het bekendst is geworden. Dit is een uniform kleurmodel waarbij de afstanden tussen de kleinst waarneembare kleurverschillen over het gehele oppervlakte van het model gelijk zijn gemaakt.

    Kleurmanagement
    Kleurmanagement: de stand van zaken
    Onder kleurmanagement kun je een dusdanige beheersing verstaan van geproduceerde kleuren dat het uiteindelijke resultaat in grote lijnen overeenkomst met het beoogde uitgangspunt. Dat klinkt nogal vaag en dat is het ook, ondanks al het nu reeds beschikbare technisch vernuft dat nu eenmaal bij een doeltreffende beheersing komt kijken. Het probleem is dat er zowel aan het begin van de keten als aan het einde zoveel variabele factoren zijn.
    Het is dan ook geen wonder dat kleurmanagementsystemen nog steeds voor een goed deel op proefondervinding berust. Waarbij vanaf een goed eindresultaat op het gehele proces wordt teruggekeken en alle factoren in de werkstroom zo goed mogelijk worden vastgelegd op hun waarden. Bij de gemiddelde computergebruiker begint nu langzamerhand het begrip wat meer door te dringen, maar veel verder dan een globale calibratie van scanner en beeldscherm en eventueel printer komt het meestal niet.
    Grafische industrie koploper
    Een veel langere geschiedenis echter kent de kleurbeheersing in de grafische industrie, maar daar was het dan ook een bittere noodzaak, want het drukproces is te kostbaar om bij een slecht eindresultaat maar weer opnieuw te gaan scannen. Er werd dus een heel systeem ontwikkeld waarbij op de scan, de drukplaat en op proefdrukken teststroken onderling vergeleken konden worden en zo in elk stadium kleine wijzigingen doorgevoerd, waarvan de resultaten zo snel mogelijk beoordeeld werden.
    Door grote grafische firma's als Kodak en Agfa werden diverse gereedschappen ontwikkeld voor kleurbeheersing, ook voor PC en Macintosh gebruik. Met de betere bewerkingssoftware wordt vaak hetzij Kodak Color Management System (CMS) of Agfa ColorFlow meegeleverd. De toepassing ervan vergt uiteraard de nodige tijd, maar essentieel is vooral een vaste werkdiscipline die dan min of meer wordt terugverdiend door een betere en constanter kleurkwaliteit.

    Kleur-en-bestandsformaten
    Omdat we binnen het (uit de aard der zaak nogal vluchtige) bereik van de computer altijd praten over digitale vastlegging dient ook daar een eigen standaard te zijn om een bepaalde kleur vast te leggen. Maar zoals te doen gebruikelijk zijn er inmiddels vele 'standaarden'. Omdat het hier (kleuren)beeldinformatie betreft spreken we over 'bitmap'-bestanden en gaan we even voorbij aan de zogenaamde vectorbestanden, die in de eerste plaats afbeeldingen in de vorm van een mathematische uitdrukking bevatten.
    In dergelijke bitmapbestanden is het aantal pixels vastgelegd met hun respectievelijke kleur en gaan meestal uit van het principe om in een getal de aandelen Rood, Groen en Blauw uit te drukken, de additieve kleuren dus. Vaak is dat een 8-bits waarde per deelkleur, hetgeen per kleur 28 = 256 mogelijkheden geeft. Voor een samengestelde kleur betekent dat een keuze uit ruim 16 miljoen combinaties (256 X 256 X 256). De file zelf is 24-bits (3 X 8).
    Zelfs een beeld met slechts 256 kleuren kan nog als redelijk worden ervaren en omdat in het verleden het aantal kleuren van een monitor nog beperkt was, ontstonden er toen dit soort bestanden. Hierbij werd een beperkt kleurpalet samengesteld uit de in de afbeelding werkelijk aanwezige kleuren. Alle informatie over die 256 kleuren kan hierbij (niet helemaal toevallig) worden wegestopt in slechts 8 bits. Een voorbeeld is het bekende GIF-formaat, dat echter steeds wordt vervangen door 24-bits JPEG-files.

    Kleurmodel-Afwijkend
    Een geheel andere manier om kleurinformatie vast te leggen is door middel van het HSL-systeem. De letters staan voor Hue (de feitelijk kleur), Saturation (de zuiverheid van de kleur) en Lightness (helderheid). De beide laatste parameters kunnen waarden aannemen van 0% tot 100%. In Photoshop gebruikt men in plaats van de L een B van Brightness. In alle gevallen wordt dit kleurmodel slechts gehanteerd binnen het programma en niet voor vastlegging en uitwisseling.
    Het begrip Lightness (of Luminance) speelt trouwens ook een rol bij het hierboven besproken CIE L*a*b* model, waarin naast de L-component tevens twee kleurcomponenten zijn opgenomen. De 'a' staat voor de plaats langs een as van groen naar rood en de 'b' voor de plaats langs een as van blauw naar geel. Ook de Photo-CD van Kodak hanteert een hierop gelijkend systeem dat YCC wordt genoemd. Men verkrijgt op deze wijze een ruimere gamut of kleurruimte dan bij opslag in RGB-waarden.
    RGB en CMY(K)
    We hadden het al over additieve en subtractieve kleursystemen, waarbij het eerste met name een rol speelt binnen het digitale traject (van scanner of digitale camera tot de monitor) en het tweede vooral te maken heeft met de wijze van reproductie op papier. Om begrijpelijke redenen is de contrastomvang bij dit laatste aanmerkelijk kleiner, terwijl men daarnaast bij de keuze van inktpigmenten moet roeien met de riemen die men heeft en nooit de zuiverheid kan behalen van een nauwkeurig bepaalde lichtbron.
    In theorie zou men door de drie (complementaire) filterkleuren over elkaar heen door totale uitdoving van het licht zwart moeten krijgen, maar omdat een kleurpigment niet alleen filtereigenschappen bezit maar ook een zekere reflectie, die zich als kleur doet kennen, voegt men bij het afdrukken tevens een echte zwarte inkt toe (welke dan ook voor zwarte tekst gebruikt wordt). Hierdoor ontstaat een 32-bits bestandsformaat en spreekt men ook van 4-kleurendruk.
    Zoals gezegd werkt men bij het subtractieve model met complementaire kleuren, in dit geval Cyaan (groenig blauw), Magenta (violetachtig rood) en Yellow (geel). Het vertalen van RGB naar dit CMYK (waarbij de 'K' staat voor blacK) is daarbij vrij complex. Een additioneel probleem is dat vier inktlagen over elkaar nogal eens problemen geven. Dit heeft geleid tot een techniek die 'Under Color Removal' heet, waarbij overtollige kleurcomponenten door berekeningen bij voorbaat worden weggelaten.
    In een beknopt artikel als dit kan niet anders dan oppervlakkig worden geraakt aan het boeiende fenomeen van onze kleurperceptie en van het zien in het algemeen. Bovendien betreft het een onderwerp waarbij de meesten van ons dag in dag uit zijn betrokken en waarin we, ieder op eigen wijze, zelf onze grenzen kunnen verleggen en naar hartelust kunnen experimenteren. Door de eeuwen heen hebben schilders dit gedaan en wij kunnen hiervoor een dankbaar gebruik maken van de computer als gereedschap.

    Lens
    De belangrijkste onderdelen van een digitale camera zijn de lens en de beeldsensor. Die laatste is een chip die uit miljoenen lichtgevoelige elementen bestaat die het invallende licht registreren. Er zijn twee soorten beeldchips: de CCD en de CMOS. De CCD biedt de beste kwaliteit, maar de CMOS is een stuk goedkoper. De lens is minstens zo belangrijk. Sommige fabrikanten vertrouwen op de producten van gespecialiseerde lenzenbouwers. Zo zijn bepaalde Sony camera’s uitgerust met een lens van het gerenommeerde Zeiss-Ikon. Negeer bij aanschaf de informatie over de digitale zoom. Digitaal zoomen is niet echt zoomen, want er worden slechts pixels bijberekend, wat een mindere kwaliteit oplevert. Een gemiddelde camera biedt 3x optische (echte) zoom. Eenvoudige camera’s hebben alleen digitale zoom en een lens met vaste brandpuntsafstand.

    Resolutie
    Het aantal lichtgevoelige elementen van de beeldsensor, de resolutie, wordt uitgedrukt in megapixels (miljoenen pixels). Een instapmodel biedt ongeveer 2 megapixels, de wat duurdere modellen 4 of 5 megapixels. Voor een afdruk op 10x15 centimeter volstaat een resolutie van 3 megapixels, voor een afdruk op A4-formaat minimaal 4 megapixels. Ook als u foto’s wilt bewerken en daarna afdrukken op 10x15 cm is 4 megapixels handig. Over het algemeen geldt: hoe meer megapixels, des te gedetailleerder de foto’s. Staart u zich niet blind op een hoge resolutie. Met een camera met 5 megapixels, maar met een slechte lens maakt u geen topkwaliteitopnamen.

    Contrastomvang
    Het verschil in helderheid tussen de helderste en donkerste gedeelten van een beeld. De mate waarin deze verschillen zijn vast te leggen op een drager (fotokopie, foto, film, videotape enz.) geeft de zgn. 'contrastomvang' aan van het betreffende medium. De contrastomvang van video wordt op het ogenblik nog overtroffen door die van film. Hierdoor zal de video kopie van een film in de contrast weergave ook sterk achterblijven bij het origineel

    Witbalans
    Elke keer als een digitale camera een foto neemt moet een witpunt worden berekend, waarop het percentage van elke kleur wordt gebaseerd. Omdat dit beïnvloed wordt door de kwaliteit van het licht bij de opname, hebben de meeste cameras de mogelijkheid om een witbalans in te stellen. In de Auto modus, bepalen complexe berekeningen wat het witpunt is. Dit gebeurt meestal vrij nauwkeurig, maar leidt bij bewolkte omstandigheden vaak tot foto's met een blauwe kleurzweem. De witbalansmodus Incandescent (Gloeilamp) of Tungsten (Wolfraam) moet u gebruiken voor opnames binnen zonder flits. Dit past de witbalans aan wanneer het onderwerp belicht is door gloeilampen, zoals die in huis worden gebruikt. Als u echter de warme uitstraling wilt behouden, dan moet u de witbalans niet corrigeren. Gebruik de modus Fluorescent (Fluorescerend) als u bij TL-licht fotografeert. Omdat er verschillende kleuren TL-lampen zijn, hebt u vaak ook meerdere Fluorescent-modi. Soms kunt u ook de witbalans handmatig instellen, zodat u exact het witpunt kunt aangeven. Een witte kaart of vel papier dient dan als referentie bij de betreffende lichtkleuromstandigheden

    Scherptediepte
    (DOF: Depth Of Field) is het gebied in een foto dat scherp oogt. Bij een grote scherptediepte is een foto vanaf de voorgrond tot de horizon scherp. De scherptediepte strekt zich uit van /13 voor het scherpstelpunt tot 2/3 erachter. Drie factoren bepalen de scherptediepte: Diafragma, Brandpuntsafstand lens, Voorwerpsafstand
    Bij een kleinere diafragma-opening wordt minder licht toegelaten tot de CCD, maar neemt het gebied waarover de foto scherp is, toe. Hoe kleiner het diafragma (f 16 of f 22) des te groter de scherptediepte.
    Brandpuntsafstand lens
    Bij een bepaald diafragma zal, bij een korte brandpuntsafstand van de lens (f<35mm, groothoeklens) de scherptediepte groter zijn dan bij een lens met een lange brandpunt (f>85mm, telelens). Een 28mm lens bij f 8 heeft dus een veel groter scherptegebied dan een 300mm lens bij hetzelfde diafragma.
    Hoe kleiner de afstand van de camera tot het voorwerp, zoals bij macro-fotografie, des te kleiner de scherptediepte.

    HDR
    HDR (High Dynamic Range) hier kun je genoeg over vinden op Internet. Maar daar hebben ze het steeds over meerdere opnamen. Dat kan natuurlijk niet altijd. Voor ons bijna nooit. Nu blijkt dat er in een Negatief of RAW opname meer informatie aanwezig is dan we kunnen in een keer kunnen afbeelden. Het draait allemaal om contrastomvang. Ons oog kan een contrast omvang van 1:10.000 aan Het negatief slaat een contrast omvang van 1:200 op Een RAW single CCD opname 1:300 Afdruk op papier 1:75 De fotograaf heeft dus het probleem om in een steeg bij vol daglicht de steeg en de lucht goed af te beelden. Steeg te donker lucht te licht. Te veel contrast. Oplossing meerder opnamen maken en die combineren. Dit kan tegenwoordig heel goed in PhotoShop. Binnen 1 opname bevind zich ook 1 a twee diafragma stoppen informatie in de min en plus. Zet deze in verschillende lagen van PhotoShop en maak dat deel transparant wat je wilt hebben. Dit zit al een beetje in PS CS2 Shadow/Highlight extended en in Paintshop Pro Clarify. In muziek loopt in het concertgebouw de dynamiek van de triangel naar fortissimo 0-110 db op de CD is dit nog maar 0-40 db en met de loudness knop op de versterker aan 0-20 db. Zelfde muziek alleen de dynamiek is er uit. Maar je kunt wel zacht luisteren (fijn voor de buren) De foto (met alle informatie) kan het wel op scherm of papier maar alles moet bij elkaar gebracht worden. Daar waar het dicht loopt moet info komen daar waar het uitgevreten is moet info komen. Uit al deze gebieden verzamelen we nu ook stochastische ruis. Meer beeldinformatie voor betere foto’s? In het afdrukproces zal de contrastomvang vrijwel zeker zal worden gereduceerd. En een gezond uitgangspunt bij ook de meest verbluffende digitale wonderen is toch dat je weinig kunt bewerken aan informatie die gewoon niet aanwezig is. Dit onontkoombare gegeven leidde bij de wereldberoemde zwart/wit-fotograaf Ansel Adams indertijd tot zijn hooggewaardeerde 'zone-systeem'. Heel in het kort kwam dit erop neer dat men hierbij een 'belichtings-zone' uitkoos op basis van het soort onderwerp. Om dit goed te kunnen doen moesten zoveel mogelijk variabelen, zoals ontwikkelaar, ontwikkeltijd, papiersoort enzovoort worden gestandaardiseerd en dit maakte het tot een behoorlijk tijdrovend systeem dat echter prachtige resultaten kon opleveren, omdat hiermee inderdaad een maximum aan relevante beeldinformatie werd verkregen. Ik denk dat het heel moeilijk is onze ogen te vergelijken met CCD camera's. Ze zien beide op een heel andere manier. Onze ogen passen zich aan het intensiteitniveau (verandering van pupildiameter, kegeltjes en staafjes, ...), een CCD niet (tenzij men met de belichtingstijd speelt). Maar een CCD ziet lineair, onze ogen eerder logaritmisch (wet van Pogson). Ziet ons oog ook logaritmisch binnen 1 oogopslag? Ik bedoel: zonder dat de pupildiameter verandert. Dat betekent dat met 8 bits er voor een CCD 256 intensiteitniveaus zijn. Voor onze ogen zou dit helemaal anders zijn. Tussen intensiteit 1 en 2 zouden onze ogen nog tussenniveaus onderscheiden, maar daar waar voor een CCD er tussen intensiteit 240 en 250 nog 10 tussenniveaus zijn, zullen onze ogen maar weinig verschil zien. Wat de 16 bits betreft, dat heeft geen zin voor puur visueel gebruik, maar CCD-beelden worden verwerkt, en daarvoor is het belangrijk zoveel mogelijk informatie in het beeld te hebben. Wat dan meer dan 8 bits betreft voor Visuele beelden, zelfs als het menselijk oog een groter dynamisch bereik heeft, ook het dynamisch bereik van het scherm van uw computer, of van het fotografisch Het menselijk oog kan van 0.01 lux tot 100.000 lux zien. Wel niet alles te gelijk. m.i. max een factor 1000. Dat betekent dat als er in zichtveld bij 0 lux (dit is al goed donker) een lamp te zien is die een punt vormt met een lichtsterkte van 1000 lx dat je dan niets meer ziet buiten het lichtpunt. Onder klare blauwe hemel in de Sahara is het mogelijk dat het zand een lichtsterkte heeft van 100'000 lux, als er daar in het kijkveld iets overschaduwd is en maar een lichtsterkte heeft van 100 lux dan zul je dat zwart zien. Hoe wordt dat allemaal gemeten? Gerelateerde vraag: wat is de definitie van 1 lux; heeft het te maken met de hoeveelheid licht binnen een bepaald gezichtsveld? Vanaf gemiddeld 0 lux zal men alles zwart/wit zien Papier legt beperkingen op, en die zal niet meer dan 8 bits zinvol kunnen gebruiken. Het dynamisch bereik van onze ogen is volgens mij zelfs binnen 1 oogopslag al groter dan dat van een computerbeeldscherm en zeker groter dan het bereik van een afgedrukt beeld.

    Blooming
    Blooming is het zichtbare effect dat ontstaat bij overbelichting van een CCD
    De digitale overbelichting geeft vervorming in het onderwerp en zijn kleur

  • meer lezen over Blooming

    Basisbegrippen_fotografie

  • BASISBEGRIPPEN FOTOGRAFIE

    Contrast_omvang

  • contrast contrastomvang

    HDR_en_RAW

  • HDR en RAW

    artefacten

  • Artefacten

    esthetica

  • esthetica

    JPEG
    Joined Photographers Expert Group, een beeldformaat dat gebruikmaakt van een algoritme voor compressie (wat kleinere bestanden oplevert).
    Joint Photographic Experts Group. De door deze organisatie ontwikkelde JPEG-compressiemethode voor beelden is zeer populair voor de opslag van digitale foto's. Een afbeelding in JPEG-formaat kan 16,7 miljoen kleuren bevatten. Helaas gaat de kwaliteit van de afbeelding achteruit afhankelijk van de mate van compressie.

  • Wat is JPEG of JPG
    Grafiek met een belichtingsas en een densiteitsas. Deze worden gebruikt om de kenmerken en de werking van de lichtgevoelige emulsie weer te geven.